Geschiedenis

1 12 13 14

Sloten en de verbinding van Amsterdam naar Den Haag

Ten zuiden van het dorp Sloten ligt de A4, de snelweg naar Schiphol en Den Haag. In de middenberm daarvan ligt ook de spoorlijn die Amsterdam met Den Haag verbindt. Dit is tegenwoordig de belangrijkste verbinding tussen deze beide steden.

Hieronder een overzicht van de geschiedenis van deze verbinding voor zover deze betrekking heeft op het grondgebied van de vroegere gemeente Sloten.

(N.B. Door op de afbeeldingen te klikken kan een vergrote weergave worden getoond.)

Droogmaking
Tot halverwege de 19e eeuw lag tussen Amsterdam, Haarlem en Leiden de Haarlemmermeer. Deze grote watervlakte was wel geschikt als route voor scheepvaartverkeer tussen Amsterdam (Overtoomse Sluis) en Leiden, maar het verkeer over land moest er omheen. Daarom was tot de droogmaking van de Haarlemmermeerpolder in 1852 de belangrijkste route van Amsterdam naar het zuidelijk deel van Holland die via Haarlem en Leiden naar Den Haag. In 1632 kwam er een grote verbetering, toen de trekvaart tussen Amsterdam en Haarlem werd aangelegd, in 1657 gevolgd door de Leidsevaart tussen Haarlem en Leiden. Tussen de Haarlemmerpoort en Halfweg liep deze route door het grondgebied van de vroegere gemeente Sloten. Het dorp Sloterdijk groeide door de ligging aan de doorgaande route.

De Haarlemmermeer groeide uit tot een grote watervlakte tussen
Amsterdam, Haarlem en Leiden, zoals te zien op deze uitsnede van de Nauwkeurige kaart van Rijnland en Amstelland; van Joan Blaeu circa 1650.

Zo’n twee eeuwen bleef dit de meest comfortabele wijze om van Amsterdam naar Den Haag te reizen. Een verandering kwam hierin met de aanleg van de spoorwegen. Ook de Oude Lijn, de eerste spoorlijn in Nederland, werd nog om de Haarlemmermeer heen aangelegd. In 1839 werd de spoorlijn van Amsterdam naar Haarlem geopend, in 1842-’43 verlengd naar Leiden en Den Haag. Het oudste station van Nederland, lag ten noorden de Haarlemmerweg, nabij de herberg d’Eenhonderd Roe. Dit was honderd roeden buiten de Haarlemmerpoort. Een Rijnlandse roede was 3,767 meter, de totale afstand was dus bijna vierhonderd meter. De reden hiervan was dat de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij nog niet tot overeenstemming met de stad Amsterdam had kunnen komen over het gebruik van de grond. Daarom vertrok de eerste trein net buiten het grondgebied van de hoofdstad, van Slotens grondgebied. De eerste trein, die op 20 september 1839 reed dus van Sloten naar Haarlem! Pas zo’n drie jaar later, in 1842 werd het eindstation bij de Willemspoort in Amsterdam in gebruik genomen.

Plegtige Inwijding van den IJzeren Spoorweg op 20 september 1839.

Lokaal spoor
Na de droogmaking van de Haarlemmermeer in 1852 werden er al spoedig plannen gemaakt voor een kortere, rechtstreekse verbinding door deze polder. De eerste burgemeester van de nieuwe gemeente, burgemeester Amersfoordt, lanceerde al in 1864 een plan voor een spoorweg van Sloterdijk, via Sloten en de Haarlemmermeerpolder naar Leiden. Ook een Ceintuurspoorweg om Amsterdam heen, met een Centraal Station ten zuiden van de stad, maakte deel uit van de plannen. Deze werden echter nooit in die vorm uitgevoerd. Spoorwegen verschenen pas in de Haarlemmermeerpolder vanaf 1912. Dit waren echter lokaalspoorwegen die de dorpen in dit gebied met elkaar en de omliggende steden gingen verbinden. De Haarlemmermeerspoorwegen werden tussen 1935 en 1950 voor reizigersverkeer gesloten.

De oude draaibrug tussen Badhoevedorp en Sloten in 1962. De draaibrug werd in beweging gebracht door een sleutel die in een rondsel in werking bracht. Foto: Noord-Hollands Archief.

Schiphol
In de Haarlemmermeer waren aanvankelijk alleen smalle polderwegen aanwezig. Deze waren uitsluitend voor lokaal verkeer. Ook de route langs de Ringvaart was een smalle weg. Toen het militaire vliegveld Schiphol in 1916 werd aangelegd was dit ook slechts via de smalle weg langs de Nieuwe Meerdijk te bereiken. Vanaf 1920 was er ook burgerluchtvaart. Toen in de jaren twintig-dertig het vliegverkeer langzamerhand ging toenemen ontstond er behoefte aan een betere wegverbinding. In de jaren dertig begon in Nederland de aanleg van autosnelwegen. Een van de eerste snelwegen was de verbinding tussen Amsterdam, Leiden en Den Haag. Deze Rijksweg 4 werd geopend op 25 juni 1938.

De nog stille Sloterweg tussen Amsterdam en Sloten; circa 1904. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Sloterweg
Vanuit Amsterdam komend ging het verkeer eerst over de in 1927 geopende Zeilbrug. Aanvankelijk moest men nog via de Sloterkade en Sloterweg, maar in 1929 was het Hoofddorpplein gereed en kon de route via de Aalsmeerweg en Aalsmeerplein naar de Sloterweg worden gevolgd. Tot aan het viaduct van de Ringspoorbaan werd aanvankelijk nog de oude Sloterweg gevolgd. Even daar voorbij takte de nieuw aangelegde Haagseweg af. Het gedeelte van de Sloterweg tussen Aalsmeerplein en de Ringspoordijk werd in de jaren veertig verbreed tot een weg bestaande uit twee rijbanen met een middenberm. Tot in de jaren vijftig bleef de bestaande bebouwing van boerderijen nog aanwezig.

De Sloterweg nabij de Ringspoordijk, gezien in westelijke richting, met het in 1931 gebouwd viaduct voor de Ringspoorlijn; 17 januari 1939. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Spoordijk
De dijk van de Ringspoorbaan werd in de jaren dertig in het kader van de werkverschaffing aangelegd. Ook enkele viaducten werden toen al gebouwd, waaronder dat over de Sloterweg, bouwjaar 1931. De spoorlijn werd echter niet afgebouwd en het dijklichaam, inclusief het viaduct, bleef een halve eeuw ongebruikt liggen. De brugdelen over de Sloterweg werden in 1945 verwijderd om de vernielde spoorbrug bij Warmond weer berijdbaar te maken. De landhoofden met aparte poortjes voor de fietspaden bleven nog tot 1982 staan en daarna afgebroken. Toen begon de aanleg van de Spoorlijn Amsterdam – Schiphol via de Westelijke Ringspoorbaan. Deze werd in 1986 geopend.

De brug over de Ringvaart rond de Haarlemmermeerpolder voor de nieuwe Rijksweg 4 naar Den Haag in aanbouw in 1935. Zicht door de Riekerpolder naar het noordoosten; januari 1935. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Brug Ringvaart
De Haagseweg, die dus even ten westen van de Ringspoordijk aftakte liep in zuidwestelijke richting door de Riekerpolder. Iets ten zuiden van de Drinkwaterinrichting werd vanaf 1934 een nieuwe beweegbare brug over de Ringvaart gebouwd. Deze brug was iets smaller dan de rest van de weg, daarom ontbrak hier de middenberm. Voorbij de Ringvaart vervolgde de Haagseweg zijn route door de Haarlemmermeerpolder en langs Leiden en Wassenaar kon men in Den Haag komen. Dit was vergeleken bij de smalle wegen van toen een grote verbetering voor het wegverkeer. Ook het vliegveld Schiphol werd zo beter bereikbaar.

Het Motel Amsterdam aan de Sloterweg 535, bij het begin van de autosnelweg richting Den Haag; 8 mei 1959. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Motel
Toen in de jaren zestig de tuinstad Slotervaart werd gebouwd en de Johan Huizingalaan werd aangelegd, kwam er een nieuwe aansluiting van deze straat en de Sloterweg op de Haagseweg. Ter hoogte van de splitsing lag een benzinestation. In 1957 werd een zeer moderne uit Amerika overgewaaide voorziening gebouwd: een motel. Voor automobilisten uit de richting Den Haag was hier een overnachtingsmogelijkheid net voor Amsterdam gecreëerd. Dit motel bleef in gebruik tot het begin van de jaren tachtig en werd toen vervangen door het gebouw aan de Oude Haagseweg, nabij de noordelijke oever van de Nieuwe Meer, thans Mercurehotel.

Luchtfoto van de Riekerpolder gezien in zuide-lijke richting naar de Nieuwe Meer. Rechtson-der de Sloterweg, vanaf de Johan Huizinga-laan richting Sloten. Van linksonder naar rechtsboven ligt de inmiddels buiten gebruik zijnde, in 1938 in gebruik genomen Rijksweg 4 naar Den Haag. Van links naar rechts door het beeld de nieuwe, in in 1972 in gebruik geno-men Rijksweg 4 naar Den Haag. Van onder naar boven de verlengde Johan Huizingalaan, die voorbij de viaducten aansluit op de in 1975 geopende Oude Haagseweg. De spoorlijn naar Schiphol is nog in aanleg, deze werd in 1978 geopend. Foto van 20 augustus 1974; Beeld-bank Stadsarchief Amsterdam.

Riekerpolder
In de jaren zestig werd een gedeelte van de bestaande Rijksweg 4 (thans A4) verlegd om een aansluiting op de nieuwe Ringweg om Amsterdam (A10) te kunnen maken, om ruimte te bieden voor de nieuwe spoorlijn naar Schiphol en Den Haag en om ruimte te maken voor meer rijstroken. Daartoe werd een groot dijklichaam door de Riekerpolder aangelegd. Dit ging onder andere ten koste van het zuidelijke deel van het Siegerpark en het Bijenpark. De verkleinde parken aan de Sloterweg bestaan nog steeds en zijn nog te bezoeken.

Als compensatie voor het verloren deel van het Bijenpark werd in 1965 een Nieuw Bijenpark aangelegd in de Eendrachtpolder ten westen van Geuzenveld, bij Oud Osdorp. Het nieuwe dijklichaam sloot nabij de Schinkelsluis met het knooppunt De Nieuwe Meer aan op de Ringweg. Hiervoor werd een deel van het volkstuinpark Ons Buiten opgeofferd. Dit werd onder andere gecompenseerd door aanleg van tuinpark Lissabon aan de Sloterweg in 1968.

Het Aalsmeerplein was van 1938 tot 1972 het begin van de verbinding Amsterdam – Den Haag, deels via de Sloterweg. Het deel rechts van het Aalsmeerplein heet sinds 1973 Rijnsburgstraat. Het deel links van het Aalsmeerplein is sindsdien geheel onder het zand van de onder andere de Henk Sneevlietweg verdwenen. Foto uit 1953; Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Sloterweg opgeknipt
Deze wegen werden in 1972 in gebruik genomen. De oude Haagseweg tussen Aalsmeerplein en Johan Huizingalaan verviel nu en werd opgebroken. Op het tracé van deze weg werd een uitbreiding van Sportpark Riekerhaven en een uitbreiding van het complex van de IBM gebouwd. Van de oude Sloterweg tussen Overtoomse Sluis en Sloten ontbreekt sindsdien deze schakel. Hiervoor moet worden omgereden via de Vlaardingenlaan – Aletta Jacobslaan. Het overgebleven deel van de Sloterweg ten oosten van het Aalsmeerplein heet sinds 1973 Rijnsburgstraat.

Oude Haagseweg
De Johan Huizingalaan werd ten zuiden van de Sloterweg doorgetrokken tot bij de Nieuwe Meer en van daaraf werd een nieuwe weg naar het nieuwe motel aangelegd. Deze weg kreeg in 1975 de naam Oude Haagseweg, hoewel een deel dus van de jaren zeventig dateert. Het gedeelte tussen de Geerban en de Ringvaart bleef lange tijd ongebruikt liggen. Enkele jaren geleden werd de brug over de Ringvaart opgeknapt en in gebruik genomen als busbaan. Hierdoor kunnen lijnbusdiensten in de spitsuren de files op de (nieuwe) Haagseweg omzeilen en zo binnendoor naar Schiphol rijden. Zo heeft deze brug toch weer een functie gekregen.

Luchtfoto van Riekerpolder Aansluiting waar de spoorlijnen vanaf Amsterdam Centraal (rechts) en Amsterdam Zuid (links) samen komen en verder in de middenberm van de autosnelweg A4 richting Schiphol en Den Haag lopen. De kijkrichting op deze foto is naar het westen. Links de Nieuwe Meer. Foto: ProRail; 2016.

Spoorlijn
De spoorlijn Amsterdam – Den Haag door de Haarlemmermeerpolder is er ruim een eeuw na de eerste plannen uit 1864 alsnog gekomen. In 1978 werd het eerste gedeelte tussen Station Amsterdam Zuid en Schiphol in gebruik genomen. Tussen de Schinkel en de Schipholtunnel volgt deze spoorweg de middenberm van de Haagseweg. In 1981 kwam de verlenging naar Leiden tot stand. In 1986 werd ook de verbinding Riekerpolder – Sloterdijk – Amsterdam Centraal in gebruik genomen, waarmee de belangrijkste spoorverbinding tussen Amsterdam, Schiphol en Den Haag alsnog via Sloten is komen te lopen.

Erik Swierstra, Werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp

Zie ook: De Westerpost van 21 en 28 oktober 2009.

Zie ook:
* http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst van verbindingen tussen Amsterdam en Haarlem

* http://www.autosnelwegen.nl/index.php/geschiedenis/4-1927-1940-de-eerste-autosnelwegen

* https://www.theodurenkamp.nl/artikelen-1/de-verdwenen-sloterweg

Dit artikel als pdf-bestand: Sloten en de verbinding van Amsterdam naar Den Haag.pdf

De tram naar Sloten

In het begin van de 20e eeuw was er een diligencedienst tussen de Overtoomse Sluis en Sloten via de Sloterkade en Sloterweg. Deze was ingesteld in 1841 om mensen de gelegenheid te geven de droogleggingswerkzaamheden van de inpoldering van de Haarlemmermeer bij Sloten te kunnen bekijken.

In 1901 kwam er zelfs een tweede omnibusdienst, die ook door particulieren werd geëxploiteerd. Vanaf 1900 werden in Amsterdam de paardentrams door elektrische trams vervangen. De laatste paardentram reed in 1916 tussen Nassauplein en Sloterdijk.

Het eindpunt van de paardentram op de Akerweg, nabij de Sloterbrug.
Links zichtbaar is het nog bestaande café Rustoord, dat tegenwoordig
‘De Halve Maan’ heet; 1922. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Verbetering
In diezelfde periode wilde ook de gemeente Sloten zijn verbinding tussen Sloten en Amsterdam verbeteren. Daarom wilde men de diligencedienst vervangen door een gemeentelijke tramdienst. Al in 1906 waren er plannen voor een tramverbinding langs de Sloterstraatweg. Ondanks de verleende vergunning duurde het nog meer dan een decennium voordat de plannen tot uitvoering kwamen. In juni 1917 besloot de gemeenteraad van Sloten tot aanleg van een elektrische tramlijn. Al eerder was er ook een elektrische tramlijn tot stand gekomen tussen Amsterdam en Sloterdijk, in 1904 via de Admiraal de Ruijterweg en in 1916 via de Haarlemmerweg. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog waren de kosten voor aanleg voorlopig nog te hoog. Uiteindelijk kon de tram in 1918 worden gerealiseerd.

Geen elektrificatie
Over de Sloterkade en Sloterweg werd aan de zuidkant van de weg een tramspoor aangelegd, met een wisselplaats onderweg. De baanlengte was 5200 meter. Een moderne elektrische tram was echter te hoog gegrepen. De gemeente Amsterdam wilde daaraan ook geen medewerking verlenen. Daarom werd het toch weer een paardentram. Dit was de laatste nieuw aangelegde paardentramlijn in Nederland. In het dorp Sloten werd een oud graanpakhuis verbouwd tot onderkomen voor de tramwagens. Nieuw materieel was echter te duur, dus tweedehands rails en trams werden aangeschaft. De rails waren afgedankt door de Stoomtram Oostelijk Groningen. De tramwagens hadden eerder gereden in Amersfoort, Gouda en Winschoten.

Opening
Op 13 augustus 1918 kon de nieuwe tramdienst feestelijk worden geopend. Aanvankelijk reed er iedere anderhalf uur een tram, vanaf 1919 was er een veertigminutendienst. Bij grotere drukte reden er twee gekoppelde wagens. De trams reden van de Andreas Schelfhoutstraat (die toen nog Bosboomstraat heette) bij de Overtoomse Sluis via de Jacob Marisstraat, Theophile de Bockstraat, Sloterkade en Sloterweg naar de Akerweg, bij de brug naar Badhoevedorp.

Annexatie
Per 1 januari 1921 werd de gemeente Sloten geannexeerd door Amsterdam. De directeur van de Slotense tram stelde aan zijn Amsterdamse collega voor om te gaan ‘samenwerken’, maar het verschil in grootte tussen de beide trambedrijven was te groot om aan dit voorstel gehoor te geven, dus ook dit werd annexatie. De Gemeente Tram Sloten ging hierbij ook op in de Gemeente Tram Amsterdam.

Smalspoor
Zoals hiervoor vermeld had men net vijf jaar eerder de laatste paardentram door een elektrische tram vervangen. Maar het vervoer naar Sloten was te gering en de investering te hoog om ook deze tramlijn te elektrificeren. Bovendien had men in Sloten uit zuinigheids overwegingen gekozen voor smalspoor (1067 mm), terwijl de Amsterdamse tram gebruik maakte van normaalspoor (1435 mm), zodat een kostbare omsporing nodig zou zijn. Voorlopig liet men de tram naar Sloten bij het oude. Wel werd het rollend materieel vervangen. De eerdere tweedehandsjes werden vervangen door afgedankte Amsterdamse paardentramwagens.

Sample ImageNadat de Gemeentetram Amsterdam de tramdienst naar Sloten had overgenomen werd de paardentram
vervangen door een tractortram en kreeg de lijn het lijnnummer 21.
Op de foto de tram in de Jacob Marisstraat bij de Bosboomstraat, thans Andreas Schelfhoutstraat,
gereed voor vertrek naar de Akerweg in Sloten; 1922.

Trekker
Een jaar later werd als proef het paard vervangen door een tractor, of beter gezegd een trekker. Dit was een in de jaren twintig in Nederland wel meer toegepaste modernisering. Tevens werd het vertrekpunt van de Andreas Schelfhoutstraat verplaatst naar de toen nog nieuwe Jacob Marisstraat en kreeg de tram een lijnnummer: 21. De laatste paardentram reed op 28 februari 1922.

In een volgend stadium konden er ook passagiers mee in het trekvoertuig. Toen in 1925 betere motorvoertuigen beschikbaar kwamen liet men de paardentramwagen achterwege en werden de passagiers voortaan nog uitsluitend in het trekvoertuig vervoerd. Hiermee kwam op 3 december 1925 een einde aan de tramdienst. De autobus naar Sloten was geboren.

Lijn G
Terwijl de tram vanaf de annexatie het lijnnummer 21 droeg, werd de bus van de lijnletter G voorzien. Vanaf 1927 ging deze via de nieuwe Zeilbrug naar het Haarlemmermeerstation rijden. In 1960 werd de route verlegd via de Vlaardingenlaan en Johan Huizingalaan. Dit bleef zo tot 1965, toen lijn G werd vervangen door buslijn 29. In 1970 nam lijn 69 zijn plaats in. Deze ging tevens doorrijden naar Badhoevedorp. In 1980 ging de exploitatie over naar Centraal Nederland, thans Connexxion. In 1988 werd het vroegere onderkomen van de paardentramwagens in het dorp Sloten gesloopt, waarmee een einde kwam aan de laatste tastbare herinnering aan de tram in Sloten. Tegenwoordig rijdt Connexxion-buslijn 145 elk half uur van de Marnixstraat naar Station Hoofddorp tussen de Johan Huizingalaan en de Ditlaar over de Sloterweg. Dit is dus een verre nazaat van de vroegere Slotense paardentram.

Nieuw Sloten
In 1991 kwam er weer een tram naar Sloten, nu echter naar de nieuwbouwwijk Nieuw-Sloten die toen verrees op het grondgebied van het vroegere tuinbouwgebied Sloten. Tramlijn 2 werd op 23 september 1991 verlengd vanaf de Louwesweg over een nieuwe trambaan die toen nog door een zandvlakte leidde. Langzamerhand kwam deze in de bebouwing te liggen en kreeg de tram zijn eindhalte bij de Anderlechtlaan. Van daaruit is het nog tien minuten lopen naar het dorpsplein in Sloten. Met enige fantasie kan men bedenken dat Sloten weer per tram bereikbaar is.

Literatuur
* De Amsterdamse paardentrams. Auteur: H.J.A. Duparc. Uitgave: Schuyt en Co, Haarlem, 1997. ISBN 90-6097-455-7
* Amsterdam 366 dagen. Auteurs: Mariëlle Hagman, Martin Harlaar en Richard Hengeveld. Uitgeverij THOTH Bussum / Stadsarchief Amsterdam, 2006 ISBN 90-6868-425-6

* Zie ook: De tram naar Sloten op het Geheugen van West

* Zie ook: Trams naar Sloten op het Geheugen van de Amsterdamse Tram

* Zie ook: De Gemeentetram Sloten op Wikipedia

Erik Swierstra,
Werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp

Uit de Westerpost van 10 december 2008.

Verdwenen dorpen ten westen van Sloten

Het dorp Sloten grenst tegenwoordig aan de westkant aan de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, die in 1852 droogviel. Vanaf eind 19e eeuw is Badhoevedorp hier verrezen.

(N.B. Door op de afbeeldingen te klikken kan een vergrote weergave worden getoond.)

Voor de droogmaking lag hier de Haarlemmermeer, dit meer was ontstaan uit drie kleinere meren die in de middeleeuwen in het gebied tussen Amsterdam, Haarlem en Leiden lagen. Dit waren de Spieringmeer, de Oude Haarlemmermeer en de Leidsemeer. Deze drie meren waren door smalle stroken veenland van elkaar gescheiden.

De Haarlemmermeer groeide uit tot een grote watervlakte tussen
Amsterdam, Haarlem en Leiden, zoals te zien op deze uitsnede van de Nauwkeurige kaart van Rijnland en Amstelland; van Joan Blaeu circa 1650.

Moerassen
Zo’n duizend jaar geleden was het gebied ten oosten van Haarlem een woest landschap met moerasbossen. Vanuit Kennemerland werd het land ontgonnen. Zo ontstonden vanaf de 11e eeuw diverse dorpen, zoals Sloten en Osdorp vanuit het IJ, meer naar het westen verrezen Nieuwerkerk en Vijfhuizen vanuit de Liede, en Schalkwijk en Rijk (of Rietwijk) vanuit het Spaarne. Nieuwerkerk werd aanvankelijk aangeduid als Boesinghelee (Boesingeliede).

De bewoners leefden van akkerbouw, veeteelt en visserij. Toen het veenland na verloop van tijd inklonk was landbouw op de drassige grond vanaf de 14e eeuw niet meer mogelijk. Het werd aantrekkelijk om het veen af te steken en als turf te verkopen. Met de groei van de steden in Holland nam de vraag naar turf als brandstof toe. Hout was schaars en tot de komst van de steenkool in de 19e eeuw was turf de belangrijkste brandstof. Zo werd een groot deel van het hart van Holland in de loop der tijd afgegraven.

Turfwinning
Ook langs de oevers van de Haarlemmermeer vond turfwinning plaats. Vooral Haarlemmers waren hier actief. Via het Spaarne kon men de brandstof gemakkelijk per schip vervoeren. De Haarlemse bedrijvigheid, waaronder lakennijverheid en de bierbrouwerijen, profiteerde hiervan. Door de combinatie van turfwinning en golfslag op het meer kalfden de oevers steeds verder af. Zo groeide de Haarlemmermeer van een oppervlakte van circa 9.100 hectare in 1250 naar circa 15.030 hectare in 1650. Daarna werden de maatregelen tegen oeverafslag effectiever, zodat de groei van het meer minder snel ging, doch er ging daarna nog bijna 2.000 hectare land verloren. Kort voor de droogmaking was de oppervlakte in 1840 gegroeid tot 16.850 hectare. Vooral aan de noordoostelijke en zuidoostelijke oevers was het landverlies groot door de overheersende westenwinden. De dorpen aan de oostkant verloren zo een groot deel van hun land. Het grondgebied van Aalsmeer werd ongeveer gehalveerd, maar de dorpskern bleef bestaan. Slechter verging het Nieuwerkerk en Rijk (Rietwijk).

Route
Naast de landroute via de Spaarndammerdijk was er nog een tweede route over land tussen Kennemerland en Amsterdam. Deze liep van Haarlem via Noord- en Zuidschalkwijk, Vijfhuizen en Nieuwerkerk naar Sloten en zo verder via de Sloterweg naar de Overtoom. Van daaruit liep de route verder via de Heiligeweg(se vaart) naar de Kalverstraat. Dit was in de veertiende en vijftiende eeuw een belangrijke pelgrimsroute naar de Kapel ter Heilige Stede, gebouwd op de plek van het Mirakel van Amsterdam uit 1345. 

Uitsnede van een kaart van Melchior Bolstra waarop de groei van de Haarlemmermeer is aangegeven met de achtereenvolgende oevers. In de periode van 1531 tot 1739 groeiden de drie veenmeren uit tot een groot meer: de Haarlemmermeer. Op de kaart staan de volgende ‘groeilijnen’ waaruit men kan opmaken hoe de Haarlemmermeer steeds groter werd: 1591 – 1647 – 1687 – 1739 – 1840. Tevens is ongeveer het tracé van de vroegere weg tussen Haarlem en Sloten aangegeven die tot circa 1508 de kortste verbinding vormde.

Storm in 1508
Tussen Vijfhuizen en Nieuwerkerk was er een smalle strook veenland die de Oude Haarlemmermeer en de Spieringmeer van elkaar scheidde. Verder naar het zuidwesten was er ook een strook veenland bij de Vennip (hier ligt nu Nieuw Vennep) die de Haarlemmermeer scheidde van de Leidsemeer, maar omstreeks 1477 werd weggespoeld. Aan de noordkant van de Spieringmeer was er een smalle strook land bij Polanen (Halfweg) die dit meer scheidde van het Houtrak (deel van het IJ). Door de turfwinning en golfslag werden deze landstroken steeds verder aangetast. Bij een storm in 1508 gebeurde het onvermijdelijke: de landstroken sloegen weg en de meren smolten samen tot een grote watervlakte. Bij Polanen brak de dijk in 1509 door en pas een jaar later slaagde men er met veel moeite in om de Spaarndammerdijk met een kistdam weer te herstellen, zodat het zoute water van het IJ, dat in verbinding stond met de Zuiderzee het gebied ten zuiden van de Spaarndammerdijk niet verder kon aantasten. De verbinding tussen Vijfhuizen en Nieuwerkerk bleef verbroken, zodat verkeer over land tussen Amsterdam en Haarlem voortaan slechts mogelijk was via de Spaarndammerdijk.

Verdwijning Nieuwerkerk
Nieuwerkerk raakte een groot deel van zijn grondgebied kwijt en ook vele huizen gingen verloren. In de middeleeuwen was het een bloeiend dorp tussen Haarlem en Sloten met een grote kerk. Omstreeks 1450 was er al veel oeverafslag. In de vijftiende eeuw verdween het oorspronkelijke dorp in de golven. In 1502 waren er nog twee huizen over. De kerk werd in 1467 verplaatst naar het noordoosten. Dit mocht echter niet baten, want in 1690 was het water al zover opgedrongen dat ook deze tweede kerk van Nieuwerkerk moest worden verlaten. Toen was de bloeitijd al lang voorbij. In 1631 werd een polder Nieuwerkerk gesticht, met een poldermolen. Het werd echter alleen door een lage kade beschermd tegen de Haarlemmermeer. De derde locatie van het dorp kwam na 1690 te liggen vlakbij het huidige Lijnden, aan de zuidelijke oever van het Lutkemeer. Het werd toen Nieuwerkerk aan de Drecht genoemd. Maar toen de Haarlemmermeer halverwege de 19e eeuw uiteindelijk werd drooggelegd waren hiervan nog slechts enkele huizen overgebleven.

Vijfhuizen
Tot Nieuwerkerk behoorden ook Raesdorp en Vijfhuizen, beide aan de Liede en de daaruit ontstane Spieringmeer gelegen. De kerk van Vijfhuizen was al in 1605 verzwolgen. In de 19e eeuw waren alleen de eendenkooi en nog enkele huizen over. Toen de Haarlemmermeer werd ingepolderd waren van beide buurtschappen nog slechts kleine stukken land overgebleven. De eendenkooi bestaat nog steeds en is opgenomen in de Haarlemmermeerpolder. In de nabijheid verrees een nieuw dorp Vijfhuizen.

Rijk
Ook het dorp Rijk (Rietwijk) onderging het zelfde lot, dit dorp verdween omstreeks 1600 in de golven. Rietwijk zou omstreeks de 11e eeuw ontstaan zijn en vormde tot halverwege de 14e eeuw een eenheid met Schalkwijk (ten zuiden van Haarlem). Deze beide dorpsgebieden grensden toen nog aan elkaar en aan het Spaarne. In 1392 werd het slagturven onder Rietwijk en Nieuwerkerk verboden, dit vanwege het landverlies. Ook halverwege de 15e eeuw werd veel oeverafslag gemeld. De kerk van Rietwijk, die in 1514 nog een kapel was, is omstreeks 1600 verzwolgen. Slechts een beperkt stuk land ten zuiden van het dorp Sloten was het enige wat nog van het vroegere Rijk overbleef. Het land ten zuiden van de Sloterweg werd in 1636 een polder, met een poldermolen. De Riekermolen, stond hier tot 1956 en is sinds 1961 aan de Amstel bij de Kalfjeslaan te bewonderen. De Riekerpolder is voor de zandwinning voor een deel vergraven tot een deel van de Nieuwe Meer.

Rietwijkeroord behoorde ook tot Rietwijk en lag aan de zuidzijde van de Nieuwe Meer. In de 20e eeuw werd dit gebied uitgeveend en weer drooggemaakt. Vanaf de jaren dertig werd hier het Amsterdamse Bos aangelegd.

Drooglegging
Al in de zeventiende eeuw werden de eerste plannen gemaakt om de Haarlemmermeer droog te leggen in navolging van andere meren. Het duurde echter nog twee eeuwen voordat dit gerealiseerd werd. De steden Haarlem en Leiden waren lange tijd tegen inpoldering. De lucratieve opbrengsten van het meer wilde men niet missen: Haarlem profiteerde van de turfwinning, Leiden van de opbrengsten van de visserij. Ook de scheepvaart was niet enthousiast van inpolderingsplannen.

Uiteindelijk waren het de stormen in het najaar van 1836 die de aanzet gaven tot de uiteindelijke droogmaking. In november 1836 was er een zuidwesterstorm, waardoor het hele gebied tot aan de poorten van Amsterdam werd overstroomd. Het gebied van Sloten en Osdorp leed grote schade. De stad Amsterdam voelde de bedreiging van het water nu wel erg dicht naderen. Een maand later, in december, waaide de storm uit het noordoosten. Nu leed Leiden onder de gevolgen en straten liepen onder water. Na 3 eeuwen van plannen maken werd uiteindelijk in 1837 door koning Willem I een Staatscommissie ingesteld die de droogmakingsplannen op hun uitvoerbaarheid moest beoordelen. Op 22 maart 1839 werd een wetsvoorstel voor de drooglegging aangenomen. In 1840 begon het graven van de Ringvaart. Tussen 1848 en 1852 werd het water weggepompt door drie stoomgemalen. Na veel problemen overwonnen te hebben was het vijftien jaar na de start van de werkzaamheden zover dat het water had plaatsgemaakt voor land.

Nieuwe dorpen
Na de drooglegging van de Haarlemmermeer werden hierin nieuwe dorpen aangelegd. Aanvankelijk zouden er twee dorpen komen: Kruisdorp en Venneperdorp. Deze dorpen zijn nu bekend onder de namen Hoofddorp en Nieuw-Vennep. Badhoevedorp is ontstaan rond de in 1854 gebouwde boerderij ‘de Badhoeve’. Aanvankelijk heette dit de Badhoevebuurt. In 1936 werd de officiële naam Badhoevedorp vastgesteld.

Enkele dorpen kregen de namen van verdwenen dorpen. Zo verrezen onder andere de nieuwe dorpen Rijk, Vijfhuizen, Boesingheliede, Burgerveen en Nieuw-Vennep met oude namen. De naam Nieuwerkerk is echter niet meer teruggekeerd. De locatie van dit dorp was ongeveer halverwege tussen de nieuwe dorpen Badhoevedorp en Kruisdorp, later veranderd in Hoofddorp.

Rijk is vervolgens alweer verdwenen, in de jaren zestig is het weer verzwolgen, nu door de luchthaven Schiphol. Inmiddels is er een bedrijventerrein Schiphol-Rijk verrezen aan de zuidkant van de luchthaven.

Zie ook: Jaartallen Geschiedens Haarlemmermeer tot 1800: www.gemalen.nl/verhalen.asp

Erik Swierstra,
Werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp

Uit de Westerpost van 5 november en 19 november 2008.

Dit artikel als pdf-bestand: Verdwenen dorpen ten westen van Sloten.pdf

Het Nieuwe Meer

Uit: ‘De Groene Amsterdammer’, 23 maart 1923

Een van de vele nare leugens, die dezen tijd vergiftigen en de toekomst onzeker makers, is, dat Amsterdam’s omgeving arm zou zijn aan natuurschoon. De waarheid is, dat de Amsterdammers het misschien niet genoeg kennen en waardeeren, en dit heeft weer het gevolg dat het niet wordt ontzien. Bij de uitbreiding van Amsterdam schijnt men met Jan ter Gouw de heele omgeving beschouwd te hebben als “gras en slooten, anders niet !” en zoo is dan maar plompweg gegraven en gebouwd, omdat, naar men meende, er toch niets verloren ging of bedorven werd.

Nu is de schoonheid van veenland en polder, boezemland, watergang, plas, braak en bedijkt zeestrand wel van zeer bijzonderen aard, maar toch niet zoo subtiel of zij kan genoten worden door den gewonen middelsoort-mensch, terwijl zij den artist tot zalige verrukking kan brengen. Bovendien schept het water allerlei pleizierige mogelijkheden voor hengelaar, zwemmer, roeier, zeiler en tuffer, en kan de beschouwer van het Leven van planten en dieren en de ontwikkeling van het landschap voor zijn leven Lang volop bezigheid vinden zelfs binnen de oude banpalen. Het is dan ook zeer goed mogelijk, dat de bevolking van de hoofdstad, die gaandeweg het millioen gaat bereiken, in de onmiddelijke omgeving verheugenis kan vinden voor hoofd en hart en zich niet behoeft te ontwikkelen tot een stadsras, verstoken van de goede dingen der wereld en zich beperkend tot genietingen van minder allooi, die leiden tot versuffing en ondergang. Ons tegenwoordig gemeentebestuur ziet dat wel in en kan misschien nog tijdig den groei van de stad in de goede richting leiden, beseffende dat Amsterdam er over honderd jaar ook nog moet wezen en over duizend jaar misschien nog geen noodlottige schommelingen van zijn beroemd Peil heeft ondervonden.

Een van Amsterdam’s schoonste wandelingen, inderdaad een der mooiste ter wereld, was Amstelveensche weg, Koenenkade, Sloterjaagpad, dus de wandeling om het Nieuwe Meer en langs het Huis De Vraag, waar nu het kerkhof is. Ik zie dat nog, als voor veertig jaar, als ik op een mooien Meimorgen op het Kwakel bruggetje stond bij den Koenenmolen. Wat een heerlijkheid! In de verte de stad met zijn blinkende torens, naderbij de prachtig begroeide Amstelveensesche weg, de wijde plas van het Nieuwe Meer en tusschen Meer en weg en kade de bloemenzee van het boezemland vol dartele kieviten, tureluurs en grutto’s en jubel van leeuweriken. Zuidwaarts het niet minder mooie Karnemelksgat met zijn liefelijk elzen en esschenboschje aan de Westzijde, dan het verder verloop van den Amstelveenschen weg naar de misschien nog mooiere Poel van Amstelveen. Maar links de Sloterweg, tegenhanger van den Amstelveenschen (maar minder interessant) en aan de overzijde van het Nieuwe Meer het Sloter Jaagpad met zijn schilderachtige bruggetjes en zijn binnenzoom van wilgen en esschen en velerlei gebloemte. In het Zuidwesten ligt in een kuil de Haarlemmermeer en wat die zelf aan sierlijkheid mist, wordt ruim vergoed door het boezemland langs zijn Oostwand, dat ik pas een jaar of tien later goed zou leeren kennen.

Wat was dat Nieuwe Meer mooi en hoe heerlijk om uit de Schinkel er heen te roeien en dan opeens dat wijde water voor je te zien. Of ’s winters op de schaats, al hadden de stoombooten dan ook tot ’t allerlaatst nog schotsen gemaakt. Alle landschapsarchitecten van de wereld zouden met elkaar nooit iets zoo schoon en zoo volledig hebben kunnen bedenken als dit heerlijk oord van Nieuwe Meer en Omgeving. Een kleine dertig jaar geleden stond ik aan het hoofd van een “Armenschool” in een uithoek van de Jordaan en menigmaal ben ik toen met de hoogste klassen den Koenenmolen omgewandeld. Wat genoten die kinderen al waren ze bekaf als we thuis kwamen. Maar als het lijden kon, dan namen we bij de Haarlemmermeer plaatsen op de voorpiek van zoo’n groen met wit Volharding-bootje en dan was ons geluk volmaakt. De bioscoop-bestrijders moeten maar veel van die tochtjes organiseeren. Dat misschien voor de vorming van goeden smaak.

Het Nieuwe Meer is er niet op vooruitgegaan en de Amstelveensche weg nog minder. Het Haarlemmermeerspoortje heeft een leelijken streep getrokken door het boezemland, de koenenmolen ging in vlammen op, de polders bezuiden de kade werden uitgeveend. Maar het eigenlijke Meer is nog mooi en ’t boezemland en het Jaagpad bergen nog hun weinig bekende schatten. De mogelijkheid dat dit landschap kan bijdragen tot het behoud van de bevolking van Amsterdam bestaat nog altijd. Er groeien nog altijd volop dotterbloemen en gele lisschen voor het groote publiek en orchideeën en moeras-lathyrus voor de ingewijden. Nog altijd broeden en zingen er haast alle vogels van weide en moeras, zelfs de edele bosch-rietzanger. Dat is er nu wel een van zeer subtiele schoonheid en er is opvoeding voor noodig om hem te leeren kennen en waardeeren, trouwens een opvoeding, die leidt langs zee bebloemde wegen, die de Amsterdamsche jeugd niet schuwen zou. Verbeeld je eens, een boschje hakhout van elzen en esschen, met hop en kamperfoelie en varens en in de varen het nest van den boschrietzanger, het edelste vogeltje van het rietland. Ik vermeld dit diertje hier, als aanwijzing van de qualities van de planten- en dierenwereld in de onmiddellijke omgeving van Amsterdam.

Nu vertelt de heer Hudig in het Handelsblad, dat er een sluisdam gelegd zal worden, midden door het meer ongeveer ter hoogte van den Koenenmolen. Dat wordt dan voor de water precies hetzelfde als het Haarlemmermeerspoortje voor het boezemland. Wie nu komt aanvaren uit de Schinkel, krijgt in plaats van de wijde blinkende plas een dam te zien en de sluis met zijn huisjes. Hij zal dan wat minder hoog gestemd moeten blijven. Daar draait het allemaal op uit: verlies aan stemming, aan levensvreugde, afdaling naar het troosteloos oppervlakkige.

Die sluis moet ergens komen, want met de opruiming van de pestilentieele Overtoomsche sluis mag men toch heusch niet langer wachten. Hoogstwaarschijnlijk is uit waterbouwkundig oogpunt het leggen van den sluisdam, juist op die plaats ook wel aan te bevelen. Maar toch vragen wij ons af, of het niet mogelijk zou zijn de sluis te ontwerpen niet in het Nieuwe Meer, maar in de Schinkel zelve, waar aan weerszijden van de spoorwegbrug, die er ook al komt, toch wel ruimte genoeg te vinden is, ook vrij van die brug.

Werkelijk, het behoud van natuurschoon, het behoud van goede gelegenheid tot gezonde en verheffende ontspanning is een levensbelang voor Amsterdam. ’t Is al zoo dikwijls gezegd, alle offers, daaraan gebracht, ontheffen ons van grooter bedragen, die vereischt zouden zijn voor gekkenhuizen, gevangenissen en hospitalen. Wij moeten het Nieuwe Meer behouden zooals het is, misschien voorzichtig en met eerbied langs den Noordoever een beetje planten en bouwen. Wij moeten van de Amsteloevers redden wat er nog te redden valt. Wij moeten het Zuiderzeestrand van Muiden tot Uitdam beschouwen als recreatieveld voor de Amsterdammers. Wij moeten er naar blijven streven om rondom Amsterdam een gordel van natuurschoon te handhaven of te stichten en langs groene wegen dien gordel in verbinding brengen met het hartje van de stad. Van de Duinen en het Gooi alleen kunnen wij het niet hebben. Er moet voor den Amsterdammer gelegenheid blijven om zonder onkosten of tijdverlies iederen dag met de Natuur te verkeeren, ook in den vroegen morgen en den laten avond. En op de scholen moet men aan de leerlingen kunnen openbaren de rijke schatten aan natuurschoon van Amsterdam’s omgeving. Ze zijn er thans werkelijk nog.

JAC. P. THIJSSE

Het Jaagpad, Café Opoe

De Westerpost heeft veel reacties ontvangen op het stuk over het Jaagpad, de Riekerpolder en Café Opoe. Hieronder treft u een bloemlezing aan van deze reacties en ook enkele foto’s. De foto’s zijn niet van de beste kwaliteit, maar we wilden u deze plaatjes niet onthouden.

Er vallen twee dingen op, dat er in korte tijd zo veel veranderd is, en dat het ook zo ontzettend dichtbij is. Als je je ogen sluit en je hand uitsteekt kun je het verleden bijna aanraken. De enorm hard werkend boeren, de sloten overal, de vogels, de ruimte, de stilte. Het andere tempo van leven, maar ook het harde, harde bestaan. Kinderen van tuinders en boeren die om 4 uur ’s morgens al opstonden om mee te werken. Werk dat nooit af was, steeds en steeds maar weer opnieuw, zwaar, zwaar en nog meer zwaar. Nog maar gisteren…

De Herinneringen
Van de nu 84 jarige J. Dijkema ontvingen we een brief met foto’s. Twee van deze foto’s treft u ook hier op de pagina aan. Verder schreef hij: “Ik ben uit eigen ervaring zeer bekend met dit voormalige café. Wij (mijn vader, broer en ikzelf) kwamen destijds vaak op de op korte afstand staande molen, die midden in de toenmalige Riekerpolder de waterhuishouding regelde. Behalve langs het pad, beginnende vlak buiten Sloten, kon men de molen ook bereiken via een pad langs de molensloot dat begon bij dat café Opoe.” […]

Woning aan het Jaagpad 200.

“Langs dat pad waren talrijke vogels te zien, die nu zeldzaam zijn geworden, zoals rietzangers, wielewaal e.a.. En in de polder kievit, snip, wulp en leeuwerik. Bij de foto’s ook een afbeelding van een der weinige huizen aan het Jaagpad. Hier woonden in het linker gedeelte mijn ouders. Mijn vader is de laatste veldwachter van Sloten geweest, en na zijn pensionering bewaker van de munitie opslagplaatsen. In het rechter gedeelte woonde iemand van de toenmalige binnenlandse veiligheidsdienst.” Van Meneer F. Rijnierse ontvingen we ook een interessant schrijven, waaruit het volgende: “Mijn vader was boer en had land in de Riekerpolder en in de Sloterpolder, samen 23 hectare. De percelen werden van elkaar gescheiden door sloten, verbonden door dammen, waarop hekken, openzetbaar. Als de mestvaalt [ruige mest met stro erin] gedurende 14 à 18 dagen met paard en wagen werd ‘uitgereden’ moesten mijn broers en ik meehelpen of oppasser zijn bij de openstaande hekken” […]”

“De percelen land waren lang en smal, vooral bij de Sloterweg; land van buren ging soms niet verder dan 2 of 3 kampen, ons land werd dan breder. In de Sloterpolder hield ons land dan weer op en onze buurman had achter ons land een breed stuk tot aan de Sloterplas van toen. De toppen van mijn vaders land lagen, naar ik schat 6 kilometer uit elkaar! Zeer oneconomisch! Een veeboerbestaan bestond uit melken, mestrijden en slachten, sloot kanten snijden en uithalen, daarna sloten uitbaggeren, allemaal handwerk. Door drinken uit de sloten trapten de koeien de sloten smaller. Kort gezegd “melk, bagger en mest” was het werk van een boer in de Rieker- en Sloterpolder.”

De Riekermolen.

Van mevrouw P. Tomassen-Balk kregen we een brief waarin de aandacht wordt gevestigd op het feit dat “Café Opoe” ook nog beheerd is geweest door haar opa en oma, Jacoba en Dirk [Hendrik] Wiebes-Kerkwijk. En we kregen ook nog een brief van Roelof van Schooneveld uit Monnickendam, hij schreef het volgende: “Mijn opa, Klaas van Schooneveld, was een kleinzoon van Roelof en Dirkje (beheerders van Café Opoe, red.) en uit de verhalen van mijn opa die hij mij heeft verteld weet ik dat de vader van mijn opa een fouragehandel op de Sloterkade had. Mijn opa heeft verteld dat het hele gebied tussen ringvaart de Haagse weg en de Hoofddorpweg tot de begrenzing Leimuidenstraat het eigendom was van de familie, er werd hier gras gemaaid en dit werd doorverkocht in de fouragehandel. Het was hard werken, want hij vertelde dat er ’s ochtends om vier uur werd begonnen met maaien om op tijd vers gras te hebben voor de paarden die weer de stad in moesten en om warm te blijven kregen mijn opa en zijn broers, toen een jaar of twaalf, een maatje brandewijn mee. Het hele gebied is door een onduidelijke transactie in andere handen over gegaan, mijn overgrootvader kon niet lezen en schrijven en heeft een kruisje gezet op een acte en was zijn bezit kwijt, aldus het verhaal wat ik gehoord heb van mijn vader, ook een Roelof.”

Henk Smit en Nico Jansen; april 2006.

 

Zie ook:

* Herinneringen aan Jaagpad nr. 200 bij de Nieuwe Meer

* Herinneringen aan het witte huisje aan Jaagpad nr. 220

* Het Jaagpad langs de Schinkel en Nieuwe Meer

Dit artikel als pdf-bestand: Het Jaagpad, Café Opoe.pdf

Publicaties Sloten-Oud Osdorp

en het gebied van de vroegere gemeente Sloten

* Amsterdam Nieuw-West – De Westelijke Tuinsteden zoals ze eens waren – Auteur: Jacob Zwaan; Uitgave: Buijten & Schipperheijn, Amsterdam; 1979 – ISBN 90-6064-054-3

* In de ban van Sloten, Auteur: L.A. Faber; Uitgave: 1980

* De Molens van Amsterdam in oude Ansichten, deel 3; Auteur: J.H. van den Hoek Ostende; Uitgave: Europese Bibliotheek, Zaltbommel; 1983 / 2001 – ISBN 90-288-2466-9

* Sloterschool 1595-1985; Uitgave: Werkgroep Sloterschoolboekje; 1986 – ISBN 90-9001494-2

* Badhoevedorp, Sloten en omgeving – Auteur: Cor Lücke; Uitgave: Van Geyt productions; 1991 – ISBN 90-5327-011-6

* Een tuin om van te houden – 75 jaar Speeltuinvereniging Sloten; Uitgave: Speeltuinvereniging Sloten; 1996

* Het lof van Amsterdam – Sloten en Oud Osdorp, jeugdherinneringen van bewoners aan de jaren 1900-1940 – Auteur: Harry Stork; Uitgave: Spraakwater; 1997 – ISBN 90-803880-1-7

* Leven rond de Sloterplas – Auteur: Louis Firet; Uitgave: Lorelax Productions, Muiderberg; 2001 – ISBN 90-76254-25-7

* Gebouwen in de Aker, Amsterdam-Osdorp – Auteurs: Hilde de Haan en Jolande Keesom; Uitgave: Architext, Haarlem; 2002 – ISBN 90-5105-035-6

* Landelijk Amsterdam, Monumenten in het buitenleven, Auteur: Astrid Aarsen, Bureau Monumenten & Archeologie; Uitgave: Bas Lubberhuizen; 2003 – ISBN 90-5937-0325

* Ruim Zicht, Boerderijen onder het zand van Amsterdam Nieuw-West, Auteur: Marja van der Veldt; Uitgave: Stichting Uitgeverij Noord-Holland; 2003 – ISBN 90-7-1123-65-0

* Sloterpolder in tekst en beeld – De groentetuin van Amsterdam, periode 1920-1960; Uitgave: 2004 – ISBN 90-808355-1-X

* De Sloterkerk, een eeuwenoud verhaal. Auteur: Bert Stilma; Uitgave Stichting Fondsenwerving Restauratie Sloterkerk; 2004 – ISBN 90-803302-7-2

* De stad is nooit af. Ontstaan en ontwikkeling van het stadsdeel Slotervaart, van Algemeen Uitbreidingsplan tot stedelijke vernieuwing. Auteur: Maili Blauw. Uitgeverij Verloren, Hilversum / Stadsdeel Slotervaart; 2005 – ISBN 90-6550-898-8

* Bos en Lommer en De Baarsjes. De geschiedenis van Amsterdam-West. Auteur: Ton Heijdra. Uitgeverij René de Milliano; 2004 – ISBN 90-72810-45-7

* Amsterdam Nieuw-West. De geschiedenis van de Westelijke Tuinsteden. Auteur: Ton Heijdra. Uitgeverij René de Milliano; 2010 – ISBN 978-9072810-588

* In de schaduw van de oorlog. Vijf oorlogsjaren in de polders van Nieuw-West. Auteur: Pim Ligtvoet. Uitgave van Stichting de Driehoek; 2015. ISBN 978-94-90586-12-6

* Het Monster van de Sloterplas. Auteurs: Fred Martin, Jan-Paul van Spaendonck en Anthonie Holslag. Uitgave van Stichting de Driehoek; 2015. ISBN 978-94-90586-13-3

* We De kwestie Vrederust. De huisuitzetting van de familie Kroes op 3 februari 1955 uit de boerderij aan de Osdorperweg 260 in Amsterdam-Sloten. Auteur: Paul Kroes. Uitgave in 2014. ISBN 978-94-92133-02-1

* We hadden van alles niks. Een verhaal over de familie Schelling en het leven aan de Osdorperweg in de periode 1890 – 1960. Auteur: Kees Schelling. Uitgeverij De Overhaal; 2012.

* De vaders van Osdorp. De schoolstaking van 1963 aan de Osdorperweg. Auteur: Kees Schelling. Uitgeverij De Overhaal; 2013. ISBN 978-821200-0-4

* Een verloren paradijs. Het leven in de Sloterpolder van 1920 tot 1955. Auteur: Kees Schelling. Uitgeverij De Overhaal; 2016. ISBN 978-821200-1-1

* Licht, lucht en leven. In de verhalen in ‘Licht, lucht en leven’ keert Kees Schelling terug naar de voormalige Sloterpolder. Auteur: Kees Schelling. Uitgeverij De Overhaal; 2018. ISBN 978-90-821200-2-8

* De Sloterkerk in kort bestek. Auteur: Bert Stilma. Uitgave: Stichting Vrienden van de Sloterkerk / Amsterdam Drukwerk; 2018.

* Rond de Sloterbrug. Badhoevedorp, Sloten, Oud Osdorp in de naoorlogse jaren. Auteurs: Paul Kroes, Jan Loogman, Kees Loogman, Kees Schelling. Uitgeverij: www.ronddesloterbrug.nl; 2019. ISBN 978-90-82-477-511

* Rond de Sloterbrug. Badhoevedorp, Sloten, Oud Osdorp in de roerige jaren. Auteurs: Paul Kroes, Jan Loogman, Kees Loogman, Kees Schelling. Uitgeverij: www.ronddesloterbrug.nl; 2021. ISBN 978-90-82-477-535

Uitgaven van de Dorpsraad Sloten-Oud Osdorp

Deze boekjes zijn te koop voor 3,50 euro bij de Molen van Sloten en in het Dorpshuis Sloten. Hieronder de titels:

– 30 jaar Sloterbrug – De veldwachter vertelt –

– Fietsen door Landelijk Osdorp – Op de grens van het recht –

– Van tuinbouw tot tuinstad – Wandelen door het dorp Sloten van toen en nu – 



* Dertig jaar Sloterbrug – 1962-1992; Uitgave: 1992 en 2005

* Van Tuinbouw tot Tuinstad – 1953-1990 (over het Tuinbouwgebied Sloten en Nieuw-Sloten); Uitgave: 1993 en 2002

* Op de grens van het Recht – 200 jaar Banpaal Sloten – 1794-1994; Uitgave: 1994 en 2002
zie ook: 200 jaar Banpaal Sloten – Op de grens van het recht (pdf)

* De Veldwachter vertelt – Over de handhaving van de wet in Sloten en omliggende polders in de jaren vijftig en zestig; Uitgave: 2002

* Wandelen door het dorp Sloten van toen en nu; Uitgave: 2002

* Fietsen door Landelijk Osdorp; Uitgave: 2004 – ISBN 90-808355-2-8


Cultuurhistorische infoboekjes

Wandelen en fietsen door Sloten en Oud Osdorp

De boekjes zijn te koop in het Politiebureautje Sloten, Dorpsplein 5, of te downloaden.

De gids Fietsen door de voormalige gemeente Sloten (pdf), inclusief de bijbehorende Fietskaart (pdf), is voor drie euro te koop in het Politiebureautje Sloten.

De Wandelgids Sloten (pdf) is voor twee euro te koop in het Politiebureautje Sloten, de Speeltuin en de Molen van Sloten.

De Fietsgids Oud Osdorp (pdf) is voor twee euro te koop bij Boerderij De Boterbloem en in het Politiebureautje Sloten.

Van de Wandelgids Sloten zijn er in de Molen van Sloten ook vertalingen te koop in het Engels, Duits, Frans en Italiaans.

Oud Osdorp

De bouw van de Tuinstad Osdorp startte in 1957 en de eerste woningen werden in 1958 opgeleverd. Omstreeks 1973 was deze wijk voltooid. De naam is ontleend aan een reeds lang bestaand begrip, namelijk de buurtschap Osdorp aan de Osdorperweg in de vroegere gemeente Sloten.

In tegenstelling tot het feit dat het wapen van het stadsdeel een os bevat, is dit niet de veronderstelde oorsprong van de naam Osdorp, afgeleid van Oostdorp daar de inwoners zich op Haarlem oriënteerden.

Oorsprong van Osdorp

Zo’n duizend jaar geleden was het gebied waar nu Osdorp ligt een onbegaanbaar veenmoeras. Daar doorheen liepen veenstroompjes, waaronder de Sloot of Slochter, waaruit de Slootermeer ontstond. Vanuit het overbevolkte Kennemerland werd dit gebied gekoloniseerd. Omstreeks het jaar 1100 werd Osdorp gesticht, op oude kaarten meestal met Oostdorp (ook wel Okesdorp) aangeduid. Er was waarschijnlijk niet echt een dorpskern, maar een lintbebouwing langs een veenkade, de Oostdorperweg. Deze weg had een waterkerende functie. De verkaveling van Osdorp ging uit van het IJ in zuidelijke richting. De bewoners leefden van visvangst, veeteelt en turfsteken.


De Ookmeermolen (Molen de 1100 Roe) aan de rand van de Osdorper Binnenpolder-Zuid in 2005.
Foto: Erik Swierstra.

Oriëntatie op Haarlem

In 1155, zo dicht Melis Stoke in zijn 13e eeuwse Rijmkroniek, kiezen de bewoners van Okesdorp (dorp van Uko) de kant van Haarlem in de strijd tegen de Friezen. Deze oriëntatie op het westelijk gelegen Haarlem kan ook een verklaring zijn voor de (latere) naam Oostdorp, die ook voorkwam op kaarten van het Hoogheemraadschap Rijnland.

In de 13e eeuw werd wegens toenemende wateroverlast door inklinking van het veen van akkerbouw op veeteelt overgeschakeld. In 1529 verkocht Reinout III, Heer van Brederode, de ambachtsheerlijkheden Sloten, Sloterdijk, Osdorp en de Vrije Geer aan de stad Amsterdam. Door keizer Karel V werd dit in 1531 bevestigd. Hierdoor vermindert in dit gebied de invloed van Haarlem en neemt die van Amsterdam toe.

Sloten en Osdorp op een kaart van Balthasar Floresz uit 1615 met links van de nog niet drooggemaakte Slootermeer het dorp Osdorp en aan de zuidwestpunt de Geerban en het dorp Sloten. Onderaan de Nieuwe Meer. Rechtsboven de nog kleine stad Amsterdam.

Osdorper Polders

In 1567 werd het gebied dat later de Osdorper Binnenpolder is geworden omdijkt. Aanvankelijk heette dit Spierinxhorn, dit had nog een natuurlijke afwatering op het IJ. In 1631 werd de trekvaart en later de weg tussen Amsterdam en Haarlem aangelegd. Deze doorsnijdt onder andere deze polder. Het deel ten zuiden daarvan heette daarna de Osdorper Binnenpolder. In 1632 werd de molen de 1200 Roe gebouwd voor de bemaling hiervan. De polder ten noorden van de Haarlemmervaart heette sindsdien Spieringhorner Binnenpolder.

 
De kerk te Osdorp in de 19e eeuw. Rechts de pastorie. Foto: collectie Dorpsraad.

Kerk te Osdorp

In 1650 werd een kerk te Osdorp gebouwd. Dit omdat de katholieken uit de kerk van Sloten waren verdreven en enige decennia lang gebruik moesten maken van boerenschuren. Deze katholieke kerk was gewijd aan de heilige Pancratius. De kerk werd vernieuwd in 1789. De toren is er in 1836 afgewaaid. Door de vervening van de omliggende polders werd de kerk als gevolg van verzakking bouwvallig en moest in 1901 worden afgebroken. Ter vervanging werd een nieuwe Sint-Pancratiuskerk in Sloten gebouwd. Op de plaats van de oude kerk te Osdorp, nabij de knik in de Osdorperweg, is nog steeds het kleine kerkhof te vinden met enkele monumentale graven.

 

Oud Osdorp ter hoogte van de knik in de Osdorperweg; 2004. Foto: Erik Swierstra

Overstromingen

In de loop der eeuwen is het poldergebied rond Osdorp vele malen overstroomd. Maar tijdens een storm op 29 november 1836 braken de dijken van de Haarlemmermeer op diverse plaatsen door en het water overstroomde het hele gebied tot aan de poorten van Amsterdam. 4.000 hectare land liep onder en er werd grote schade aangericht. Een maand later werd Leiden door het water bedreigd, waarna in 1839 eindelijk tot drooglegging van de Haarlemmermeer werd besloten.

Omstreeks 1850 telde de buurtschap Osdorp 45 haardsteden (woningen), bewoond door 55 huisgezinnen, totaal 260 inwoners. De meeste van hen leefden van de landbouw. 180 inwoners waren hervormd, 80 katholiek. Het dorp Osdorp telde 9 haardsteden en 53 inwoners. De statie Osdorp, bediend door een pastoor, telde 420 zielen. Er was geen school, hiervoor moesten de kinderen naar Sloten of Sloterdijk.

De Oude Molen aan de Ringvaart in 2000. Foto: Erik Swierstra.

Drooglegging en vervening

In 1852 kwam de Haarlemmermeer na vier jaar pompen droog te liggen. In 1865 werd de Lutkemeer drooggelegd, in 1872 werd ook het IJ, ten noorden van Osdorp ingepolderd. In 1874 werd het Ookmeertje, als laatste in deze omgeving, drooggelegd. De eeuwenlange dreiging van het water was eindelijk afgewend. In 1888 kreeg de Osdorperweg wegverharding met stenen en werd in 1935 geasfalteerd. In 1896 startte de uitvening van de Osdorper Bovenpolder. Na afronding van dit karwei startte in 1920 de uitvening van de Eendrachtpolder, die in 1941 gereed kwam.


Kaart van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam uit 1934.
In het midden de Sloterplas, links daarvan Tuinstad Osdorp.
Aan de linkerkaartrand Oud Osdorp en linksonder het dorp Sloten.

Aan de rand van de stad

In 1921 werd de gemeente Sloten geannexeerd door Amsterdam. Na vaststelling van het Algemeen Uitbreidings Plan in 1935 startte in 1951 de bouw van de Westelijke Tuinsteden. Delen van landelijk Osdorp verdwijnen onder het zand voor woningbouw. Het resterende gebied werd langzamerhand een soort rommelzone aan de rand van de stad. Osdorp verliest zijn naam aan de nieuwe tuinstad. Ter onderscheiding wordt het buurtschap voortaan Oud Osdorp genoemd. Het enige min-of-meer oorspronkelijke veenweidelandschap dat in Osdorp overblijft is de Osdorper Binnenpolder.

In juni 2004 verscheen het boekje ‘Fietsen door Landelijk Osdorp’ waarin meer bijzonderheden worden verteld over het beschreven gebied. Het boekje is te koop in de Molen van Sloten en in het Dorpshuis van Sloten.

© Erik Swierstra, september 2006.

Het dorp Sloten

Het dorp Sloten heeft ondanks het feit dat het langzamerhand grotendeels is ingeklemd door stedelijke bebouwing nog steeds zijn dorpse karakter behouden. De Dorpsstraat (Sloterweg), het Dorpsplein, de Osdorperweg en de zijstraatjes, zoals Akerpolderstraat en Nieuwe Akerweg vormen samen met enkele zijstegen de dorpskern.

Naast de beide kerken, de protestantse Sloterkerk uit 1861 en de Rooms-katholieke Sint-Pancratiuskerk uit 1901, vinden we hier voornamelijk woonhuizen, die vroeger ook aan vele winkels onderdak boden. Van de vroegere winkelstand is niets meer overgebleven, wel is er nog een dorpscafé en nog enige andere bedrijvigheid in het dorp. De meeste huizen dateren uit de 19e en 20e eeuw, maar er zijn nog enkele panden waarvan de historie verder gaat. Het oudste nog bestaande huis staat aan de Osdorperweg nr. 1 en dateert uit 1692. Dit is op de gevelsteen te zien. Het huis werd in de jaren tachtig en negentig gerestaureerd. Diverse huizen staan op de monumentenlijst.

 

De toren van de Sloterkerk torent uit boven de huizen van de Osdorperweg.

Sloterkerk

De oudste kerk van Sloten was een kapel ten zuidwesten van de Slootermeer. in de Middeleeuwen werd op een terp ten noorden van de Sloterweg de eerste stenen kerk gebouwd. in 1573 is deze kerk na het beleg van Haarlem door de Geuzen in brand gestoken. In 1583 ging de kerkelijke gemeente tot de Hervorming over en werd het midden gedeelte (schip) van de verwoeste kerk opgebouwd en geschikt gemaakt voor de protestantse eredienst. Het is dit kerkgebouw dat door diverse tekenaars en schilders (waaronder Rembrandt) is vastgelegd. Nadat dit gebouw wegens bouwvalligheid moest worden gesloopt verrees in 1861 de thans nog bestaande Waterstaatskerk aan de Osdorperweg 28. Het is een neoclassicistisch ontwerp van architect P.J. Hamer. De bouwvallig geworden toren is in 1964 afgebroken en herbouwd. Het gebouw werd in 1996 op de monumentenlijst geplaatst en in 2003 werd het gerestaureerd.

 
De Banpaal uit 1794 en de Sint Pancratiuskerk uit 1901
op een ansichtkaart uit het begin van de 20e eeuw.
Foto: collectie S. van Scheppingen.

Sint Pancratiuskerk

Sloten kent ook een Rooms-katholieke Kerk. Dit is de in 1901 gebouwde Sint-Pancratiuskerk aan de Sloterweg 1184. De parochie van Sint-Pancratius werd in 1893 opgericht. Deze parochie had behoefte aan een eigen kerk, waarbij gekozen moest worden tussen een locatie in Sloten en een plaats in Osdorp. De bouwpastoor J.A. Haverman was een groot voorstander van de huidige locatie en was ook degene die Jan Stuyt aantrok om het gebouw te ontwerpen. Stuyt was een leerling geweest bij A.C Bleijs (Sint-Nicolaaskerk) en bij P.J.H. Cuypers. Voor Stuyt was dit zijn eerste kerk. In zijn ontwerp voor deze sobere neogotische driebeukige kerk is de invloed van Cuypers goed terug te vinden.

De kerk is de vervanging van de vroegere kerk in Oud Osdorp. Nadat al eerder het interieur werd gerestaureerd werden in 2005 het dak en de torenspits onder handen genomen.

Straatnaambord op het politiebureautje in Sloten; 2006. Foto: Erik Swierstra.

Dorpsplein

Aan het Dorpsplein Sloten is het ‘kleinste politiebureau van Nederland’ uit 1866 te vinden. Tegenwoordig heeft de wijkagent hier zijn kantoortje. Er naast staat nog een oude brandmelder uit de jaren twintig. Een ander markant ‘bouwwerk’ op het pleintje is de dorpspomp. Deze is herplaatst na herinrichting van het pleintje in de jaren negentig. Voordien was daar eigenlijk helemaal geen sprake van een plein. Tot 1951 stond hier het Rechthuis, na afbraak daarvan was er een basketbalveldje. In 1991 werden hier archeologische opgravingen gedaan en er werden toen resten gevonden van boerderijen waarvan de geschiedenis terug ging tot circa 1175, toen het dorp hier op een terp werd aangelegd. Op de straatnaambordjes is dit feit vermeld.

 
De Banpaal uit 1794 staat tegenwoordig geheel ingebouwd tussen de huizen midden in het dorp.
Op de achtergrond is nog de top van de kerktoren zichtbaar; 2006. Foto: Erik Swierstra.

Banpaal

Een bijzonder bouwsel in het dorp Sloten is voorts de banpaal uit 1794, een van de vijf die er rond Amsterdam stonden en waarvan er nog drie bestaan (de andere twee staan langs de Amsteldijk en de Amsterdamseweg in Amstelveen). Deze banpaal gaf tot 1795 de bangrens (grens van het rechtsgebied) aan tot waar het recht van de stad Amsterdam gold. Bannelingen (mensen die verbannen waren) mochten niet voorbij dit punt komen.

Molen van Sloten

Sinds 1991 is het dorp Sloten een belangrijke bezienswaardigheid rijker, de Molen van Sloten. De eerste molen bij Sloten stond in de Riekerpolder, ten zuiden van de Sloterweg. Deze in 1636 gebouwde molen moest in 1956 wijken voor de vergroting van de Nieuwe Meer ten behoeve van de zandwinning voor de bouw van de Westelijke Tuinsteden. In 1961 werd de Riekermolen herbouwd aan de Amstel bij de Kalfjeslaan. Sindsdien bestond in Sloten de wens om toch weer een molen te hebben, en dertig jaar later ging deze in vervulling. Een uit de Watergraafsmeer afkomstige molenstomp (bouwjaar 1847) werd op een nieuw gemetselde onderbouw geplaatst en van een nieuwe kap en wieken voorzien. Hiermee was de Molen van Sloten een feit. Deze werd op 11 september 1991 door Prinses Juliana in gebruik gesteld en is sindsdien tot de belangrijkste toeristische attractie van Sloten geworden. De molen is (bijna) alle dagen van het jaar geopend van 10 tot 17 uur. Het is (waarschijnlijk) de enige werkende molen die over een lift beschikt, zodat ook mensen die minder goed ter been zijn de molen kunnen bezoeken. De molen is tevens in gebruik als trouwlocatie. Sinds april 2005 is de molen uitgebreid met een Kuiperijmuseum, het enige in zijn soort.

De Molen van Sloten heeft ook een rol in de bemaling van de omgeving. Dit naast het uit 1952 daterende Akergemaal, dat het water uit het gebied van de Westelijke Tuinsteden naar het boezemwater van de Ringvaart om de Haarlemmermeerpolder pompt.

 
De Sloterbrug over de Ringvaart en de Molen van Sloten; 2000.
Foto: Erik Swierstra.

In de Molen van Sloten bevinden zich drie gevelstenen met de volgende teksten:

1. Aangeboden door de Dorpsraad Sloten-Oud Osdorp en gelegd door Ed. van Thijn, Burgemeester van Amsterdam en Ko Kuiper, voorzitter van de Stichting Molen voor Sloten. — 31 mei 1990. —

2. De eerste steen gelegd den 19 juni 1847 door Arend van den Broeke.

3. 1847 – 1997
‘ik maal niet om de olie of het graan,
ik til heel wat water uit de stad vandaan.
de wind valt in m’n wieken als een valk:
ik  kan de jaren van m’n toekomst aan!

Karel N.L. Grazell 

Deze laatste steen werd op 19 juni 1997 onthuld door W.F. Velthuis, voorzitter stadsdeel Osdorp.

Speeltuin

Sloten heeft ook de beschikking over een eigen speeltuin. Deze werd opgericht op 15 november 1921, kort na de annexatie door Amsterdam. Een aantal particulieren nam hiertoe het initiatief om de dorpsjeugd iets te bieden als alternatief tegen de verlokkingen van de grote stad. Sindsdien is er veel veranderd in en om Sloten, maar de speeltuin is er nog steeds en de kinderen van nu spelen er met evenveel plezier als hun ouders en grootouders in het verleden. Iedereen kan gebruik maken van het terrein en de speeltoestellen. Voor leden van de speeltuinvereniging worden door het jaar heen diverse activiteiten georganiseerd. In het speeltuingebouw vinden diverse clubs onderdak.

Sloterbrug

Aan de westkant wordt het dorp Sloten begrensd door de Ringvaart van de Haarlemmermeer, tevens de westelijke begrenzing van de gemeente Amsterdam en vroeger de gemeente Sloten. Over de Ringvaart ligt hier de Sloterbrug uit 1962. Dit is de opvolger van de oude Sloterbrug uit 1879 die de eerste vaste verbinding tussen Amsterdam en de Haarlemmermeer (en sinds 1919 ook Schiphol) vormde. Tegenwoordig is dit nog steeds een belangrijke verbindingsschakel tussen Amsterdam-West en Badhoevedorp.

© Erik Swierstra, september 2006.

Geschiedenis van Sloten

Het gebied waar nu de Westelijke Tuinsteden liggen was tot circa 1950 een landelijk gebied. Voordat de stad zich tot hier uitbreidde had dit al een geschiedenis van bijna duizend jaar als agrarisch gebied achter zich. Rond het jaar 1000 was de omgeving van wat nu Amsterdam is, net als een groot deel van Holland, een veenmoeras waar nauwelijks mensen woonden.

Vanaf de tiende eeuw werden deze gebieden langzamerhand in cultuur gebracht en werden ook de eerste dorpen gesticht. Het land ten westen van waar nu de Schinkel en Kostverlorenvaart liggen werd vanuit Kennemerland gekoloniseerd.’Sloten’ is zo’n twee eeuwen ouder dan Amsterdam. De oudste vermelding dateert uit 1063, toen er sprake was van een kapel te Sloton aan de zuidwestpunt van de Slootermeer. Rond 1175 werd het dorp verplaatst naar een terp aan de huidige Sloterweg, maar op de oorspronkelijke plek bleef nog eeuwenlang het ‘Out Kerkhoff’ liggen.

Gezicht op de kerk van Sloten in de winter, met op het ijs schaatsers en kolfspelers.
Rechts gaat langs enige woningen en over twee bruggen de Osdorperweg,
die bij de kerk uitkomt op de Sloterweg.
Schilderij van Jan Abrahamsz. Beerstraten; halverwege de 17e eeuw (collectie Rijksmuseum).

Dochterkerk van Velsen

De kerk van Sloten, gewijd aan Sint-Pancras, was een dochterkerk van die van Velsen. Uit dezelfde periode dateren Assendelft en Spaarnwoude en, in het Amstelland, Abcoude en Ouderkerk. Het Amstelland viel echter onder de invloedssfeer van de bisschop van Utrecht. Van de stad Amsterdam was toen nog geen sprake, deze ontstond pas twee eeuwen later (oudste vermelding in 1275). Naast Sloten ontstonden deze omgeving nog enkele andere dorpen, zoals Osdorp (Oostdorp) en Sloterdijk (Sloterdam). De bewoners leefden aanvankelijk van de akkerbouw, maar ook van de tuinbouw, veehouderij en visvangst. Al vanaf het ontstaan van de stad Amsterdam werd dit de belangrijkste afzetmarkt voor de producten van de boeren.

De Sloterpolder op een kaart van Balthasar Floresz uit 1615 met daarin de nog niet drooggemaakte Slootermeer en aan
de zuidwestpunt de Geerban en het dorp Sloten. Onderaan de Nieuwe Meer. Rechtsboven de nog kleine stad Amsterdam.

Heilige Weg

Het dorp lag aan de ‘Heilige Weg’ van Haarlem naar pelgrimsoord Amsterdam, bekend van het ‘Mirakel’ uit 1345. De Sloterweg was tot het begin van de 16e eeuw de belangrijkste landverbinding tussen Amsterdam en de rest van Holland, totdat de landbrug naar Haarlem in 1508 door de golven werd weggeslagen. Daarna ging het verkeer via Sloterdijk.

Tot 1529 was Sloten voornamelijk op Haarlem georiënteerd, maar in dat jaar verdobbelde landheer Reijnout de derde van Brederode zijn bezittingen en viel Sloten toe aan de stad Amsterdam. Ook de ambachtsheerlijkheden Sloterdijk, Osdorp en de Vrije Geer vielen toe aan de stad. Na de Napoleontische tijd werd Sloten een aparte gemeente, los van Amsterdam. De gemeente Sloten omvatte behalve het dorp Sloten ook de Vrije Geer en de dorpen Osdorp en Sloterdijk.

De Sloterpolder op een kaart uit de 18e eeuw, met in het midden de drooggemaakte Slooterdijkermeerpolder.
Rechts ligt Amsterdam, nu met de 17e eeuwse Grachtengordel, linksonder het dorp Sloten.

Gemeentewapen

In het Akergemaal is het gemeentewapen van de vroegere gemeente Sloten ingemetseld zoals dat sinds 1816 in gebruik was. Ook op de molen van Sloten is een afbeelding hiervan te vinden. In dit gemeentewapen zijn symbolen van de vier ‘bangebieden’ terug te vinden waaruit de gemeente Sloten bestond: Sloterdijk, Sloten, de Vrije Geer en Osdorp (respectievelijk een ster, 3 hangsloten, een ster, een driehoek en een os). Het wapen werd op 26 juni 1816 als volgt omschreven:

“Zijnde een gevierendeeld schild, het eerste deel van sabel, beladen met een tourteau van lazuur, beladen met een vijfpuntige ster van goud; het tweede van keel met drie hangsloten malordonné van goud; het derde van keel met een geer van goud, komende uit de linkerzijde; het vierde van zilver met een linksgaanden roodbonten os, staande op een grond van sinopel.”

Het wapen van Sloten zoals te zien op de Molen van Sloten; 2005.
Foto: Erik Swierstra.

Drooggelegde meren

Het meer waaraan Sloten was ontstaan, de Slootermeer, werd in 1644 drooggelegd. Sindsdien lag hier de droogmakerij ‘Sloterdijkermeerpolder’. Bij overstromingen liep deze nog vele malen onder water. Drie eeuwen later, tussen 1948 en 1956, werd de polder vergraven tot Sloterplas. Ook de nabijgelegen Nieuwe Meer werd door zandwinning sterk vergroot.

De grote wateren in de omgeving waren echter een grotere bedreiging. Naast het IJ in het noorden was de Haarlemmermeer in het westen een constant gevaar. Weliswaar leverden deze meren opbrengst in de vorm van visvangst, maar het verlies aan land was echter veel schadelijker. Telkens als het stormde vond er afkalving van de oevers plaats. Daardoor ging ten westen van Sloten in de loop der tijd een grote hoeveelheid land verloren. Twee dorpen nabij Sloten, Nieuwerkerk en Rijck (Rietwijk), werden in de zeventiende en achttiende eeuw verzwolgen door de waterwolf.


Het gemaal Lijnden aan de Ringvaart van de Haarlemmermeer tegenover de Lutkemeer; 2006.
Foto: Erik Swierstra.

De Haarlemmermeer was echter zo sterk in omvang toegenomen dat inpoldering niet zo simpel was als bij de kleinere meren. De bekende molenmaker Adriaen Leeghwater ontwierp al in de 17e eeuw een plan om de Haarlemmermeer met circa 200 windmolens droog te malen. Pas na de uitvinding van de stoommachine, zo’n twee eeuwen later, behoorde drooglegging van dit meer tot de mogelijkheden. Na de storm van 1836 werd de dreiging zo acuut dat niet alleen Sloten, maar ook Amsterdam (en ook Leiden) gevaar liep door de golven verzwolgen te worden. In 1852 was het eindelijk zover dat de Haarlemmermeerpolder droog viel. Enkele jaren later (in 1865) werd ook de kleine Lutkemeer ten westen van Osdorp nog drooggelegd. In 1872 volgde de drooglegging van grootste deel van het IJ met de aanleg van het Noordzeekanaal, zodat het gevaar voor overstromingen nu sterk verminderd was.

Kaart van de gemeente Sloten uit 1868.

De stad rukt op

Een andere bedreiging van het landelijke gebied van Sloten kwam nu uit het oosten. In het laatste kwart van de negentiende eeuw begon Amsterdam sterk te groeien. Vanaf 1867 werd er gebouwd buiten de Singelgracht en de bebouwing rukte snel op naar het westen en zuiden. Reeds in 1877, toen de gemeentegrens in het oosten nog de Kostverlorenvaart was, werd een gedeelte van de plattelandsgemeente door Amsterdam geannexeerd. Nadat in 1896 nog een stukje van Sloten en ook al een groot stuk van de gemeente Nieuwer-Amstel (thans Amstelveen) was geannexeerd, was het in 1921 de beurt aan Sloten (net als Watergraafsmeer, Buiksloot, Nieuwendam en Ransdorp) om door Amsterdam opgeslokt te worden. Voortaan behoorde dit gebied tot Amsterdam, met de bedoeling dit voor stadsuitbreiding te gebruiken.

Nieuwe woonwijken

In de jaren twintig en dertig werden op het grondgebied van de vroegere gemeente Sloten de buurten rond het Mercatorplein, Surinameplein en Hoofddorpplein gebouwd. In de jaren dertig en veertig verrezen Landlust en Bos en Lommer.

Westelijke Tuinsteden

Vervolgens werden plannen gemaakt voor nog verdere uitbreidingen naar het westen. Het uit 1934 daterende Algemeen Uitbreidings Plan van Amsterdam voorzag in aanleg van de Westelijke Tuinsteden volgens een ruime en groene opzet. De Sloterplas zou met het omliggende park het hart gaan vormen.

Vertraagd door de Tweede Wereldoorlog kwam de bouw pas in 1951 goed op gang. In 1952 konden de eerste bewoners hun nieuwe huizen in de Tuinstad Slotermeer betrekken. Daarna werden de Tuinsteden Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomse Veld en Osdorp gebouwd. Omstreeks 1970 waren de tuinsteden voltooid. In 1965 werd in de Lutkemeerpolder de begraafplaats Westgaarde aangelegd. In de jaren negentig er kwamen nog drie nieuwbouwgebieden tot stand: de Oostoever, Nieuw Sloten en De Aker.

 

Kaart van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam uit 1934.
In het midden de Sloterplas, links daarvan Tuinstad Osdorp.
Aan de linkerkaartrand Oud Osdorp en linksonder het dorp Sloten.

Dorpsraad

In 1962 werd de Dorpsraad Sloten-Oud Osdorp opgericht, die sindsdien opkomt voor de belangen van de oude dorpen en het landelijke gebied.

Stadsdelen

In 1981 werd het stadsdeel Osdorp ingesteld. Sloten en Oud Osdorp gingen hier deel van uitmaken. Delen van het landelijke gebied werden in 1990 ingedeeld bij de stadsdelen Geuzenveld-Slotermeer (Eendrachtpolder) en Slotervaart (omgeving Sloterweg en Riekerpolder). In 2010 werden deze drie stadsdelen samengevoegd tot stadsdeel Nieuw-West.

Nieuw Sloten

In de jaren negentig werd op de plaats van het in 1958 aangelegde Tuinbouwgebied Sloten de nieuwbouwwijk Nieuw Sloten gebouwd. Omdat deze wijk het oude dorp geheel zou gaan inklemmen werd in 1995 een referendum georganiseerd om het ‘Weilandje van Sloten’ te redden van bebouwing. Dit is een van de weinige referenda waarin de Amsterdamse bevolking zijn gelijk bevestigd kreeg tegenover de immer bouwende gemeente Amsterdam. In 2003 werd hier het Natuurpark De Vrije Geer geopend in een veenweidegebied met een eeuwenoud en helemaal gaaf slotenpatroon. Aan de zuidkant van het dorp liggen de volkstuinparken Eigen Hof en VAT, aan de oostkant grenzend aan het oude dorp ligt het sportpark Sloten met de overdekte wielerbaan. Aan de andere kant van het dorp verscheen in de jaren negentig de nieuwbouwwijk De Aker, waar voordien tuinbouwbedrijven lagen. Zo dicht bij de (tuin)stedelijke bebouwing van de grote stad is het oude dorp nog steeds een oase van rust.

© Erik Swierstra, september 2006.

1 12 13 14