Geschiedenis

Amsterdamse Hoofdgroenstructuur wordt ernstig bedreigd

Jarenlang was al het groen dat deel uitmaakt van de Hoofdgroenstructuur, dus ook de polders in Oud Osdorp en Natuurgebied De Oeverlanden, goed beschermd.

Op die manier zorgden vorige stadsbesturen ervoor dat Amsterdam een leefbare en aangename stad zou blijven voor mensen en voor dieren.

Wat blijft er op termijn over van Oud Osdorp als de Hoofdgroenstructuur in het landelijke gebied straks vogelvrij zou worden? Een mooie impressie van de weidsheid van het gebied gezien vanaf de Slibveldenweg met zicht op tuinstad Osdorp. Foto: Theo Durenkamp.

Groene longen van de stad beschermen
De Hoofdgroenstructuur (HGS) is in de loop der jaren steeds meer ‘uitgekleed’ en bestaat tegenwoordig alleen nog uit groengebieden van grote waarde, die echt voor de stad behouden moeten blijven. Sinds eind 2021 wil het stadsbestuur die resterende groene longen nóg verder aantasten. Dat begon in de regeerperiode van de vorige wethouder voor de Ruimtelijke Ordening Marieke van Doorninck (GL). Zij diende een voorstel in om de HGS drastisch te verkleinen. Begin 2022 heeft zij haar voorstel vervolgens beperkt aangepast. Dat moest ze wel doen omdat de gemeente hierover maar liefst 500 kritische inspraakreacties had ontvangen.

Nog verder ingeperkt ná inspraak
Haar opvolger wethouder Reinier van Dantzig (D66) heeft de HGS vervolgens eigener beweging nog verder uitgekleed. Hij geeft de auto in het groen bijvoorbeeld meer ruimte en schrapt een deel van het resterende groen. Daarnaast wil hij dat de belangrijke commissie TAC die – nu nog – adviseert óf bepaalde bouwplannen in het groen mogen plaatsvinden, straks alleen nog mag beoordelen hóe die initiatieven inpasbaar zijn. De nieuwe wethouder heeft deze grote aanpassingen die de positie van het beschermde groen verzwakken dus zelf ná de inspraak aangebracht en hoopte dit beleidsvoorstel nu door de gemeenteraad te loodsen, maar dat is hem niet gelukt.

Natuur gaat naar zijn mallemoer…
Iris Poels van Behoud Lutkemeer was op 7 december uiteraard ook aanwezig. Om de aandacht te vestigen op de komst van Voedselpark Amsterdam, maar nu ook om de HGS in stand te houden. Iris: “Door heel Amsterdam is het tekort aan groen alarmerend. Het gaat om een tekort van 23.000 voetbalvelden. In de zogenaamde HGS heeft de gemeente gebieden opgenomen die onmisbaar zijn voor de stad en een belangrijke functie vervullen voor het leefklimaat van Amsterdammers, biodiversiteit en klimaatadaptatie. De HGS is mede tot stand gekomen door inspraak van betrokken burgers bij de bescherming van een leefbare stad. Echter heeft de wethouder eigenhandig aanpassingen gedaan die bescherming van de HGS ondermijnen, en het bijvoorbeeld makkelijker maken om te bouwen in het groen. Ook dit was een agendapunt tijdens de vergadering waarbij voor Partij voor de Dieren zich hard maakte voor meer mogelijkheid tot inspraak van burgers.”

“En”, zo vervolgt Iris, “zolang de wethouder Grondzaken óók de beschermer is van groen in de stad is de natuur niet veilig. En dat is niet gek. De wethouder heeft een enorme bouwopgave meegekregen, en hij maakt vooralsnog niet genoeg vorderingen om de doelstellingen te halen. Een gevalletje belangenverstrengeling? Hoe je het ook wendt of keert, de natuur delft net als altijd het onderspit. De actievoerders die gisteren vanuit alle hoeken van de stad voor de Stopera bijeen waren gekomen, stelden dan ook: Met van Dantzig aan het roer gaat de natuur naar de zijn mallemoer!” Wilt u het hele artikel (ook over de Lutkemeerpolder lezen, dan treft u onder dit artikel een link.)

Nieuwe inspraakavond
De Partij voor de Dieren leidde op 7 december het verzet tegen deze aanpassingen en organiseerde hiertegen – voorafgaand aan de commissievergadering van de gemeenteraad – een protestbijeenkomst bij de Stopera. En zo lang de wethouder grondzaken ook de beschermer is van groen in de stad is de natuur niet veilig. En dat is niet gek. De wethouder heeft een enorme bouwopgave meegekregen, en hij maakt vooralsnog niet genoeg vorderingen om de doelstellingen te halen. Een gevalletje belangenverstrengeling? Hoe je het ook wendt of keert, de natuur delft net als altijd het onderspit. Tijdens de commissievergadering daar direct na liet wethouder Van Dantzig tot ieders verbazing weten dat hij van mening is dat het Amsterdamse groen door zijn voorstellen juist beter wordt beschermd. Na een wat chaotisch overleg stemde een meerderheid van de raadsleden voor het voorstel van PvdD-raadslid Jennifer Bloemberg-Issa om volgend jaar een extra inspraakavond over de HGS te organiseren. Wordt dus vervolgd.

Tamar Frankfurther; 9 december 2022.

Lees verder:

* Opinie Hoofdgroenstructuur – Het Parool; 29 november 2022.pdf

* Protest tegen aanpassing natuurbeleid Amsterdam – Het Parool; 7 december 2022 (pdf)

* Ga zorgvuldig om met het schaarse groen van Amsterdam – Iris Poels – Het Parool; 9 december 2022 (pdf)

De Slotense tol in het Parool

Op 6 december 2022 stond de Slotense Tol in het Parool in de rubriek ‘Déjà Vu’, waarbij de situatie van vroeger en nu wordt vergeleken.

“Sinds 1816 moest op de Sloterweg tussen Amsterdam en Sloten tol worden betaald. Het geld was bestemd voor onderhoud. Een voetganger boven de zes jaar betaalde twee duiten. In 1921 werd de gemeente Sloten geannexeerd door Amsterdam en werd de tol opgeheven.”

Voor het bericht zie ook: www.parool.nl/ps/zoek-de-verschillen-sloterweg-in-1910-en-2022~bde58660/

Zie ook:

 

De bankjes in de Riekerpolder van ‘De Oeverlanden Blijven’

In de Riekerpolder, of wat daar nog van over is, staan op diverse plaatsen bankjes, geplaatst door de Vereniging ‘De Oeverlanden Blijven’. Deze bankjes zijn zowel een plek om even uit te rusten als een eerbetoon aan diverse mensen die in het verre en nabije verleden van betekenis zijn geweest in de Riekerpolder.

De eerste bankjes zijn in 2020 door Nico Jansen geplaatst langs het Jaagpad, de zuidelijke begrenzing van de Riekerpolder, die zich oorspronkelijk uitstrekte van de Sloterweg tot aan de Nieuwe Meer. Onder andere is er het ‘bankje van Jacq. P’, dat herinnert aan Jacq. P Thijsse, de bekende natuurbeschermer uit de eerste helft van de 20e eeuw.

Door op onderstaande afbeelding te klikken is een grotere weergave mogelijk.

Kaart van het zuidelijke deel van de Riekerpolder met daarop aangegeven de zestien bankjes. Stand oktober 2022. Bron: www.oeverlanden.nl/bankjes/

Inmiddels zijn er enkele oude bankjes door nieuwe exemplaren vervangen en vooral in 2021 en 2022 zijn er een reeks nieuwe bankjes bij geplaatst, niet alleen langs het Jaagpad (totaal nu negen stuks), maar ook in het natuurgebied De Oeverlanden en op enkele andere locaties elders in de Riekerpolder. Hieronder een alfabetisch overzicht van de nu aanwezige achttien bankjes (stand oktober 2022).

De informatie over de diverse bankjes en de plattegrond zijn afkomstig van initiatiefnemer Nico Jansen (‘Hoofd buitenmeubilair van de Oeverlanden’). Zie ook: het artikel ‘Banken met uitzicht’ in ‘Oever 84‘, najaar 2022, en: www.oeverlanden.nl/bankjes/. Hier is ook een interactieve kaart te bekijken waarop kan worden doorgeklikt naar de diverse bankjes en hun locaties.

De bankjes
Overal in De Oeverlanden zijn bankjes geplaatst van robuust eikenhout. Elk bankje is gewijd aan iemand die van betekenis is geweest voor de geschiedenis van het gebied. In het overzichtskaartje is de plaats van de bankjes aangeduid. Hieronder een korte beschrijving van de persoon aan wie het bankje is gewijd.

Bas van Wijk (1996-2020)
Op de pier in het Nieuwe Meer is in augustus 2021 een bank geplaatst als eerbetoon aan de vorig jaar daar vermoordde Bas van Wijk. Deze bank is er gekomen op initiatief van de heer Banshi van restaurant Aquarius. Hiermee krijgt de herinnering aan deze tragedie een blijvende plek in de Oeverlanden. Een plek van herinnering met een mooi uitzicht op het water. Zie ook: Bas van Wijk.

Betje Polak (1901-1980)
Onderzoekster in de Riekerpolder. Haar proefschrift in 1929 behandelde de samenstelling van het Hollandse veen. Pionier van het veenonderzoek in Nederland en in de Tropen. Volgens haar onderzoek is het Nederlandse laagveen in feite verdronken hoogveen. Zie ook: Betje Polak.

Chris Arntzen (1920-2012)
Schoolmeester handenarbeid en decennialang secretaris van de vereniging ‘De Oeverlanden Blijven’. Drager van de gouden speld van de Gemeente Amsterdam en erelid van de vereniging. Zijn creatieve denken vond voor elk probleem wel een oplossing. Schilder en tekenaar van de Nieuwe Meer en omgeving. Zie ook: Chris Arntzen.

Clovis Cnoop Koopmans (1925-2008)
Rechter en raadslid voor de Partij van de Arbeid van 1982 tot 1990. Hij heeft er mede voor gezorgd dat de Oeverlanden onbebouwd zijn gebleven door in 1985 dit gebied van de lijst van bouwlocaties af te laten voeren. Ook heeft hij gezorgd voor behoud van de Kleine Komedie. Zie ook: Clovis Cnoop Koopmans.

Ger van Zanen (1929-2015)
Amsterdammer van geboorte, opgeleid tot veldbioloog / florist door Jacob Heimans, werd hij biologieleraar in Bussum. Voor de vereniging ‘De Oeverlanden Blijven’ verzorgde hij tal van excursies over planten, grassen en paddenstoelen. Hij heeft in 1998 een uitgebreide inventarisatie gemaakt van de planten in de Oeverlanden. Zie ook: Ger van Zanen.

Henk Gerritsen (1948-2008)
Kunstenaar en botanicus. Hij was op 12 januari 1984 één van de oprichters van de vereniging ‘De Oeverlanden Blijven’. Zie ook: Henk Gerritsen.

Henk Smit (1938-2016)
Henk kwam uit de Schinkelbuurt, zijn hart lag in de Zuidwesthoek van Amsterdam; Sloten, het Jaagpad en de Oeverlanden. Als bioloog was hij nog opgeleid door botanicus Jacob Heimans, de zoon van Eli Heimans. Sinds de oprichting in 1984 steunde hij de vereniging ‘De Oeverlanden Blijven!’ met raad en daad om dit gebied zo mooi mogelijk te houden. Vrij van woningbouw. Henk Smit heeft veel invloed gehad op ‘het groen’ in en rond Sloten. Dat deed hij als tuinder van volkstuinpark Eigen Hof, waar hij al heel vroeg aandacht vroeg voor ecologie en duurzaam tuinieren. Dankzij Henk is het Siegerpark bij de Sloterweg behouden en nog steeds een oase van rust. En het was ook zijn idee om achter de ‘afgehakte’ percelen aan de Sloterweg een ecologische zone in Nieuw Sloten aan te leggen. Nu genieten velen hier dagelijks van de Peilscheidingskade van het aangename wandelpad. Zie ook: .

Jac. P. Thijsse (1864-1945)
Geestelijk vader van het Amsterdamse Bos en de Oeverlanden. In 1908 schreef hij al over de ‘Parkenquaestie’: “Op deze manier krijgen we zonder groote onkosten niet een park maar een parklandschap met het Nieuwe Meer als centrale waterpartij.” Algemeen Dagblad; 11 januari 1908. Zie ook: Jac. P. Thijsse.

Jan P. Strijbos (1891-1983)
Natuuronderzoeker, fotograaf en publicist. Hij deed onderzoek naar de blauwe reiger in de kolonie aan de Sloterweg in de Riekerpolder. Zie ook: Jan P. Strijbos.

Jan Swammerdam (1637-1680)
Medicus en natuuronderzoeker, met name de ‘bloedloze dierkens’. Goed observeren is de basis van alle kennis. De bijenkoning bleek een koningin. Zie ook: Jan Swammerdam.

Josephine (Fien) Hoogmoed-v. Lienen (1920-2012)
Met haar dalmatiërs wandelde ze tientallen jaren door de Oeverlanden en de Riekerpolder. Onderwijl ruimde ze het zwerfvuil op. Een markante dame met een lang leven rond de Nieuwe Meer. Zie ook: Josephine Hoogmoed.

Lodewijk Napoleon (1778-1846)
De jongere broer van Napoleon Bonaparte was koning van Holland van 1806 tot 1810. Hij wilde de scheepvaart bevorderen en daarmee de economie van Holland verbeteren. De overtoom tussen de Kostverlorenvaart en de Schinkel werd in 1809 vervangen door een sluis (Overtoomse Sluis) om de vaarweg geschikt te maken voor grotere schepen. Tevens werd het Jaagpad aangelegd om de schepen te kunnen helpen bij ongunstige wind naar de Haarlemmermeer te varen. Zie ook: Lodewijk Napoleon.

Milo van der Veen (2006-2021)
Geboren en getogen in de Riekerpolder en de Oeverlanden van de Nieuwe Meer. Door een noodlottig ongeval gestorven. Zie ook: Milo van der Veen.

Nel Ypenburg (1923-2016)
Arts en plantkundige. Liefhebber van het Nieuwe Meergebied, de Oeverlanden en de Riekerpolder. Zij inventariseerde het rijke plantenleven in de Oeverlanden in het begin van deze eeuw waarvan het verslag nog steeds te zien is op de website van de vereniging ‘De Oeverlanden Blijven’. Zie ook: Nel Ypenburg.

Rein Cremer (1947-2021)
Bioloog en dertig jaar lang de begeesterde werkmeester van de beheervrijwilligers van vereniging ‘De Oeverlanden Blijven’.
Loofzanger
Een herfstblad dwarrelt van boom naar boom,
naar de grond en weer omhoog naar een tak.
Zingt daar zijn lied.
Rein Cremer Leknin, november 2003.
Zie ook: Rein Cremer.

Rembrandt van Rijn (1606-1669)
Toen het na 1650 economisch minder ging met zijn portretschilderijen, ging hij op stap in de omgeving van Amsterdam en raakte bekoord door de schoonheid van het polderland, doorsneden met water. Een mooie tekening is “Zicht op de Schinkel” met de stad op de achtergrond. Ook de Sloterweg en de Osdorperweg werden door hem getekend met pittoreske boerderijen en landarbeidershuisjes. Maar ook het Amstelland en de oevers van de Zuiderzee wist hij zeer te waarderen. Zie ook: Rembrandt van Rijn.

Overige banken
In 2022 zijn er ook enkele banken geplaatst die niet naar personen vernoemd zijn. De bank van Bella Vista en de bank van Famos verwijzen naar een verdwenen uitspanning en sportvelden. Voorts zijn er nog twee naamloze picknickbanken geplaatst.

Bella Vista
Een uitspanning aan het Jaagpad nummer 123, in de oude nummering van de gemeente Sloten nummer A 368. Het gebouw stond op de plek waar nu het dijklichaam van de A10 ligt. Daar had men een wijds uitzicht over de Nieuwe Meer en na 1934 ook over het prille Amsterdamse bos. Na de oorlog moest Bella Vista wijken voor uitbreidingen van de stad. Voor zover bekend is het gebouw rond 1970 gesloopt. De veelvoorkomende sneeuwklokjes bij de kruising van het Jaagpad met de Riekerweg zijn misschien nog een overblijfsel uit de tuin van Bella Vista. Zie ook: Bella Vista.

FAMOS
Afkorting van de Federatie Amsterdamse Middelbare scholen voor Ontspanning en Sport. Sinds de annexatie van de gemeente Sloten in 1921 waren er een aantal sportvelden tussen het Jaagpad en de Volkstuinen van Ons Buiten. Aan Jaagpad 129, komend vanuit de stad net voorbij Bella Vista, was er een kantine en een botenhuis. In 1962 is het complex verlaten. De sportvelden zijn vervolgens onder een dikke laag zand verdwenen. Sindsdien is hierop het Jaagpadbos gegroeid. Zie ook: FAMOS.

Picknickbank in het Jaagpadbos
Op alle banken staat VDOB (Vereniging De Oeverlanden Blijven) met het jaartal van plaatsing.

Picknickbank nabij de Schinkelbruggen
Op de achtergrond de Schinkelbruggen van de Ringweg A10. Aan de linkerbeeldband stond vroeger de uitspanning Bella Vista.

De Bank van de Vereniging de Oeverlanden Blijven!
Voor het verenigingsgebouw ‘De Waterkant’ staat een extra lange bank met de naam van de vereniging.

Tekst en foto’s: Erik Swierstra; oktober 2022.
De foto’s zijn gemaakt in september-oktober 2022.
Werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp

Zie ook:
www.oeverlanden.nl/bankjes/

*

De Slotense vrijwillige brandweer stond dag en nacht paraat

Na de onthulling en verwelkoming van de gerestaureerde Slotense brandspuit uit 1880 in het Slotense Tuinpark V.A.T. op 28 augustus 2022 vroegen velen zich af hoe de brandweer op Sloten eigenlijk werkte.

“Op het dorp stond met ingang van 1932 ook een brandmelder. Welke rol vervulde die bij het melden van branden?” En: “Welke Slotenaren zaten er in de Brandploeg?” Diverse Slotenaren halen herinneringen op.

De brandploeg poseert tijdens een oefening bij de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. V.l.n.r.: Joop Schönhage, Gijs Stolk, onbekend, postbode Punt. Rechts achteraan: Wim Wiebes, onbekende man met pet, Henk Mol (vader van Rietje Mol en opa van Els en Willy), Tinus Worm. De man rechtsvoor met de hoed is Henk Königsmann. Foto: Familiearchief Rietje Mol, circa 1955.

Brandploeg: ieder zijn eigen taak
In de ‘Instructie voor de brandmeesters der vrijwillige brandweer in het buitengebied van de Gemeente Amsterdam’ uit 1967 werden de regels gedetailleerd uit de doeken gedaan. In het buitengebied van de gemeente Amsterdam bevonden zich in 1967 nog zes brandwijken, die deel uitmaakten van drie brandweer-secties: Sloten, Osdorp en Noord.

Het personeel van de brandwijk Sloten bestond uit een 1e en een 2e brandmeester, een spuitoppasser, hooistekers en een aantal spuitgasten. De brandmeesters droegen de zwaarste verantwoordelijkheden bij het ‘blussingswerk’, het oefenen, de administratie, het rapporteren over van alles en nog wat en het onderhoud van het materieel en het spuithuisje. Het personeel was verplicht om alle bevelen op te volgen en mocht zich zonder toestemming van de bevelvoerder niet van het brandterrein verwijderen.

Piet Ebbers eerst 2e en toen 1e Brandmeester
De werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp beschikt over een officiële aanstellingsbrief gedateerd op 1 september 1955. Op die dag werd de Slotense loodgieter Piet Ebbers van Sloterweg 1201 namelijk aangesteld als ‘2e Brandmeester in de brandwijk Sloten’. Hij was, zo staat in de arbeidsovereenkomst van 23 augustus “verplicht om de arbeid persoonlijk te verrichten”. Piet Ebbers ontving hiervoor het salaris van ƒ 152,– per jaar: “… hetwelk aan het einde van het kalenderjaar zal worden uitbetaald…”. Twee jaar later promoveerde Piet al tot 1e Brandmeester en nam Gerrit van der Puij de functie van 2e Brandmeester over. Gerrit heeft ervoor gezorgd dat de brandspuiten van Sloten en Osdorp behouden zijn gebleven voor het landelijke gebied. De Slotense spuit staat nu bij de entree van Tuinpark V.A.T. en de Osdorpse staat in de hal van de brandweerkazerne aan de Ookmeerweg.

Oefening van met de brandspuit van Sloten aan de Ringvaart; 1955. Foto: Nationaal Brandweer Documentatiecentrum.

Broeiing van hooi leidde tot branden
De geschiedenis van het Slotense brandweercorps gaat te ver terug om uit de begintijd nu nog verhalen boven water te halen. Wat wel bekend is, is dat hooibranden het vaakst voorkwamen in het landelijke gebied. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het oudste document in het archief van de werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp (gedateerd op 30 november 1948) juist hierover gaat. Het betreft de ‘Instructie voor brandmeesters en hooistekers in het buitengebied der Gemeente Amsterdam’. De ‘buitengemeente’ van Amsterdam was verdeeld over tien hooidistricten. Het hooidistrict ‘Sloten’ stond onder controle van de brandmeesters van de brandwijk Osdorp. Ieder district had zijn eigen hooistekers.

Een passage uit de instructie: “Wanneer hooi (te sterk) broeit, is de eigenaar, huurder of gebruiker van het perceel waarop het hooi zich bevindt verplicht om hiervan onmiddellijk kennis te geven aan de brandmeesters of hooistekers van het hooidistrict, welke personen daarop een onderzoek instellen. Bij het ontdekken van een broeiing onderzoeken zij het hooi met hooi-ijzers en gelasten zo nodig spitten, omwerken of verspreiden daarvan door de eigenaars, huurders of gebruikers.” Alles wordt gedetailleerd beschreven, tot en met de noodzakelijke “nacontrole tot het gevaar voor brand was geweken”.

Oefening van met de brandspuit van Sloten. Ter hoogte van Sloterweg 1277; 1955. Foto: Nationaal Brandweer Documentatiecentrum.

Meestal kleine veenbranden
Zoon Dirk Ebbers weet zich nog wel te herinneren hoe dat in zijn jeugd ging. “Er kwam dan iemand aan de deur met een brandmelding. Mijn vader nam dan altijd eerst contact op met de brandmeester in de stad. Daarna was het zijn taak als 1e brandmeester om snel ter plaatse te gaan kijken wat er aan de hand was; om wat voor brand het ging. En om een inschatting te maken of de brandweer uit de stad moest komen. Ik herinner me dat het relatief vaak om een veenbrand of een brand in een hooiberg ging.”

Rietje de Jong-Mol (1938) herinnert zich nog een grote vreselijke brand “bij Meekel aan de Zuiderakerweg. Dat was echt heel erg en er waren ook doden te betreuren. Natuurlijk was de echte brandweer toen snel ter plaatse. Voor zover ik me dat kan herinneren was dat gelukkig echt een uitzondering.”

Brandmelder nog nooit gebruikt
Degene die de brand gemeld had zorgde er ondertussen voor dat het nieuws zich als een ‘waarschuwend vuurtje’ door het dorp verspreidde. De overige leden van de brandploeg verzamelden zich snel bij de vroegere tramremise en later bij het Spuithuis. De brandspuit werd naar buiten gesleept en naar de plek des onheils getrokken. Dirk: “Negen van de tien keer kon de brandploeg het zelf afhandelen, maar de brandmeester uit de stad kwam toch bijna altijd kijken. Zo nodig kwam de brandweer met groot materieel. Dit hele proces stond – voor zover ik het me kan herinneren – altijd los van de brandmelder op het dorp. Op het moment dat Amsterdam die in 1932 hier op het dorp neerzette, waren de Slotenaren al gewend aan hun eigen procedures.

Voor zover ik me kan herinneren, is-ie hier nóóit gebruikt. Maar ja, Sloten maakte sinds 1921 volwaardig deel uit van Amsterdam en het dorp had daarom ook recht op zo’n paal.” Rietje de Jong-Mol bevestigt deze herinnering: “Nee hoor, leuk die paal, maar hij is nooit gebruikt. Als er brand was, dan ging je dat meteen bij Ebbers en Van der Puij melden.”

De Brandmelder uit 1932 naast het Politiebureautje. Foto: Erik Swierstra.

Prima bijbaan
De Slotenaren vonden het prima om in deel uit te maken van de brandploeg. Ze kregen per keer dat ze moesten uitrukken betaald. En, niet onbelangrijk, degenen die in de Slotense brandploeg zaten kregen vrijstelling voor de BB (Bescherming Bevolking). Dat was een naoorlogse organisatie die in 1952 was opgericht door de overheid. De BB was een onderdeel van de civiele verdediging en had als taak om de bevolking te beschermen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld gedurende de periode die nu bekend staat als de Koude Oorlog.

Spuitoppasser en de spuitgasten
Zowel het blusvoertuig zelf als zijn onderkomen (het spuithuisje) moesten natuurlijk in goede staat verkeren. De spuitoppasser had tot taak om al het blusmaterieel en het spuithuis goed te onderhouden. In de ‘Instructie voor de Brandmeesters der Vrijwillige Brandweren in het Buiten-Gebied der Gemeente Amsterdam’ gedateerd 15 april 1930 staat een uitgebreide taakomschrijving van de spuitoppasser: “Hij zorgt dat de spuit voor blusschingswerk te allen tijde in goeden staat verkeert. Hij waakt voor het uitdrogen der zuigers gedurende den zomer en het vastvriezen der kleppen (van de pomp) gedurende de winter.

Na een brand of een oefening, waarbij het voertuig in werking is geweest, wordt dit door den spuitoppasser geheel schoon- en drooggemaakt; natte slangen worden te drogen gehangen. Kleine herstellingen worden door hem verricht. Het benoodigde vet, poetskatoen enz. wordt hem verstrekt. Blijken groote herstellingen noodig, moet de spuit of het spuithuis geschilderd worden of zijn slangen defect, dan meldt hij dit aan den 2den brandmeester, die zich in verbinding stelt met den hoofdbrandmeester der hoofdwacht, waaronder de brandwijk ressorteert.” Beide brandmeesters en de spuitoppasser kregen een jaarwedde of vergoeding.

De pijpvoerders, spuitstellers en pompers hadden geen contract maar kregen betaald: “gedurende den tijd dat zij te werk gesteld zijn”. Het ging om een uurtarief: de pijpvoerders kregen ƒ 1,50 per uur (tussen 22 en 6 uur en op zondagen: ƒ 2,–) en de spuitstellers en pompers kregen ƒ 1,– per uur (tussen 22 en 6 uur en op zondagen: ƒ 1,50). Deze Slotense spuitgasten trokken de brandspuit voort aan de twee trekbomen, zorgden ervoor dat de slangen goed lagen, hadden de zware taak om het water uit de sloot te pompen en verleenden allerhande ondersteunende taken.

Het Spuithuis washet onderkomen van de brandspuit op Sloten. Het huisje is tegenwoordig een gemeentelijk monument en staat nu op het erf van de bewoners van Sloterweg 1277. Foto: Erik Swierstra; 5 mei 2015.

Rietje Mol (6) viel in de Ringvaart
In principe moest er, volgens het reglement, iedere maand worden geoefend, maar in de wintermaanden (december tot en met maart) kon worden verzocht om in plaats van de oefening een theorieles te houden. Rietje de Jong-Mol, die sinds haar geboorte nog altijd op Sloten woont, weet zich te herinneren dat er op Sloten niet zo vaak werd geoefend: “Nee hoor, op Sloten gingen ze één keer per jaar oefenen en niet vaker. Ik herinner me dat ik als kind daar graag naar ging kijken. Ik weet het nog precies: Ik was zes jaar en kon nog niet zwemmen. Hoe het zo kwam, weet ik niet meer, maar op de een of andere manier ben ik toen in de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder gevallen. Mijn vader Henk sprong uiteraard meteen in het water om me te redden. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt. Ik weet het nog altijd!”

Wie álles wil weten over de procedures en werkwijzen voor de Slotense vrijwillige brandweerlieden in 1911: Reglement Brandweer Sloten NH – 1911.

Meer informatie over de vrijwillige brandweer van Sloten
Waarschijnlijk kreeg Sloten in 1885 zijn eigen vrijwillige brandweercorps, dat bij het blussen gebruik maakte van de ‘Handspuit Otterbein’. In het Stadsarchief Amsterdam ligt een reglement uit dat jaar opgeslagen met daarin de voorgeschreven gang van zaken bij brand in verschillende gebieden. Hierbij wordt Sloten ook vermeld.

Eerder werd een interessant artikel over de brandweer in de voormalige gemeente Sloten gepubliceerd. Hierin treft u ook informatie over de brandspuit van Osdorp, die tegenwoordig – eveneens gerenoveerd – zijn thuisbasis heeft in de brandweerkazerne aan de Ookmeerweg.

Tamar Frankfurther, september 2022.

Zie ook:
* Unieke brandmelder staat bij het Politiebureautje
* Slotense brandmelder in 1933: het nieuwste van het nieuwste
* De brandweer in de voormalige gemeente Sloten
* Slotense brandspuit verhuist van Molen naar Tuinpark V.A.T.
* Brandspuiten uit Sloten en Oud Osdorp
* Tuinpark V.A.T.: de zevende standplaats voor de Slotense brandspuit
* Grondige restauratie Slotense brandspuit afgerond

Dit artikel is ook te lezen als pdf: De Slotense vrijwillige brandweer stond dag en nacht paraat (pdf)

Uniek Slotens rijdend erfgoed (1929) van Van Waveren Transport

Af en toe zie je, maar vooral hoor je, de oude vrachtwagen van Es van Waveren van Van Waveren Transport aan de Sloterweg door Sloten tuffen. Het is een A-Ford uit 1929. Dus bijna honderd jaar oud. Tijd voor een nadere kennismaking.

Es van Waveren vertelt: “Hoewel het lijkt alsof dit onze eerste vrachtwagen is, hebben we deze A-Ford pas tien jaar in ons bezit. Eén van onze medewerkers zag hem op internet te koop staan. Op de deur vonden we een plaatje met daarop firma Van der Puij, Amsterdam-Sloten. Toen was het besluit om deze vrachtwagen te kopen snel genomen.”

Slotens rollend erfgoed: Es van Waveren bij zijn A-Ford uit 1929. Foto: Geert Verweij.

Er waren vroeger veel bedrijven op het dorp Sloten. Onder andere Ford-dealer Garage P. Kok en het Carrosseriebedrijf van P. Van der Puij. Es van Waveren, die sinds 1994 weer vlak bij zijn geboortehuis aan de Sloterweg woont, kwam een oude A-Ford uit 1929 op het spoor.

Wat bleek? Die is gemaakt door beide Slotense autobedrijven. De basis komt van Kok en de carosserie van Van der Puij. Op de oude vrachtwagen zat zelfs nog een bordje van het Slotense carrosseriebedrijf van Piet (vader van Gerrit) van der Puij. Het rijdend erfgoed werd vervolgens liefdevol opgeknapt en tijdens het Open Monumentenweekend reed Es trots door het dorp.

Koetswerk van Slotense Van der Puij
“In 1929 was het gebruikelijk dat men een chassis kocht. Daarna werd dit door een carrosseriebouwer van een koetswerk voorzien”, zo legt Es van Waveren uit. “De cabine en laadbak zijn door Van der Puij in Sloten gemaakt. Het is dus een echte Slotense Ford, zeg maar: Slotens rijdend erfgoed. De eerste eigenaar was de toen net opgerichte Nederlandse Radiateuren Fabriek nabij het Luchtvaartlaboratorium (nu Anthony Fokkerweg). Na vele omzwervingen kwam de A-Ford tien jaar geleden weer terug in Sloten. We hebben er enkele jaren over gedaan om de vrachtwagen in de verloren uurtjes helemaal te restaureren.”

Op film vastgelegd
Tijdens het afgelopen Open Monumentenweekend reed Es trots in zijn vrachtwagen door Sloten. Toen hij een rondje rond de Sloterkerk, waar hij koster is, maakte, heeft Geert Verweij dat gefilmd. Hij rijdt tegen de richting in, maar voor deze ene keer zullen we hem dat vergeven.

‘Es’: traditionele Slotense naam
Es van Waveren is een geboren Slotenaar. Toen hij op zich zelf ging wonen was er geen geschikte woning in Sloten of Oud Osdorp te krijgen en verhuisde hij naar Badhoevedorp. In 1994 kwam de Margarethahoeve aan de Sloterweg vrij. Sindsdien woont hij vijftig meter van zijn geboorteplek. ‘Es’ is ook een echte Slotense naam. Zijn neef Es Velthuis (helaas al weer enkele jaren geleden overleden), die ook in Sloten woonde, heeft veel speurwerk gedaan in de archieven van de kerk van Sloten en het Stadsarchief van Amsterdam. Toen bleek dat de naam ‘Es’ op Sloten al vele eeuwen voorkomt.

Geert Verweij, 27 augustus 2022.

Tuinpark V.A.T.: de zevende standplaats voor de Slotense brandspuit

Sinds zijn komst op Sloten in 1885 moest het brandblusapparaat telkens wegens ruimtegebrek verhuizen.

“Maar nu is-ie hopelijk ècht op zijn definitieve plek op het dorp gearriveerd”, zo laat tuinparkvoorzitter Ko Plooy enthousiast weten. “Hij is hier meer dan welkom!”

Standplaats lange tijd in de tramremise
De historische handspuit uit 1880 arriveerde waarschijnlijk in 1885 op Sloten. In het brandspuitreglement uit dat jaar wordt namelijk ook Sloten als standplaats vermeld.

Aanvankelijk stond de spuit jarenlang in de (in 1988 afgebroken) loods Sloterweg 1275 waarin ook de voormalige tramremise (1918-1925) van de Gemeentetram Sloten gevestigd was. Dat speelde zich allemaal af op het stuk grond achter en tussen het huidige perceel van Sloterweg 1277, waar de familie Van der Puij woonde, en naast de toenmalige garage Kuykhoven (Sloterweg 1269).

Het interieur van de voormalige tramremise van de Gemeentetram Sloten annex wagenmakerij Van der Puij (eerst van vader Piet en later van zoon Gerrit) werd in 1975 gefotografeerd door Ino Roël. Dit was – voor zover wij kunnen nagaan – tot 1942 de standplaats van de Slotense brandspuit. Op deze foto staat wonderlijk genoeg de brandspuit van de voormalige gemeente Weesperkarspel. Dit zou verklaard kunnen worden uit Gerrit van der Puij’s passie voor het behoud van het rollend erfgoed van de Brandweer. Hij zette zich hier – als voormalig tweede Brandmeester – hartstochtelijk voor in. Hij heeft er ook persoonlijk voor gezorgd dat ook de spuiten van Osdorp en Sloten beide tot op de dag behouden zijn. Die van Osdorp sinds 2005 tentoongesteld in de hal van de brandweerkazerne aan de Ookmeerweg. De Slotense brandspuit staat niet op de foto, want die stond in 1972 in het Spuithuis even verderop.
Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

De Slotense Rietje de Jong-Mol herinnert zich uit haar vroege kinderjaren nog goed dat als haar vader werd opgeroepen of moest oefenen met de brandploeg dat hij altijd naar de remise annex wagenmakerij ging. Dat was de standplaats van het blusapparaat.

Zij herinnert zich ook dat de afgedankte paarden- en later tractortramwagens links naast de loods buiten stonden en dat zij daar vaak verstoppertje speelde. De wagens die nog wel in gebruik waren, stonden binnen, links in de loods. Rechts daarvan stond allerlei apparatuur van Wagenmakerij Van der Puij.

De voorzijde van de voormalige tramremise van de Gemeentetram Sloten aan het adres Sloterweg 1275. Rechts het tuinhek van de familie Van der Puij met achter de boom zicht op het in 1942 speciaal voor de brandspuit gebouwde Spuithuis. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam; 1975.

Eigen onderkomen vanaf 1942
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd de loods van Van der Puij gevorderd door de Duitsers en ging toen fungeren als onderkomen voor soldaten, die – zo herinnert Rietje zich – ook wel eens witbrood deelden met armlastige en hongerige kinderen uit het dorp. Waarschijnlijk is dat de reden waarom de Amsterdamse Brandweer in 1942 een nieuw Spuithuis tussen de tramremise en achter de tuin van Van der Puij liet bouwen. Hierdoor kon de brandploeg voortaan weer ieder moment vrijelijk zo nodig gebruik maken van de brandspuit.

Het Spuithuis werd het tweede onderkomen van de brandspuit op Sloten. Het huisje is tegenwoordig een gemeentelijk monument en staat nu op het erf van de bewoners van Sloterweg 1277. Foto: Erik Swierstra; 5 mei 2015.

Kort in het Dorpshuis Sloten
Nadat Gerrit van der Puij in 1988 was overleden, werd zijn huis gekocht door Arie en Ellen van Genderen. Zij maakten graag gebruik van het gemeentelijke aanbod om de erfpacht af te kopen en het Spuithuis als schuur bij hun tuin te trekken. Omdat het blusapparaat toen dakloos werd, mocht het tijdelijk in de entreegang staan van het Dorpshuis (Nieuwe Akerweg 14). Maar dat was natuurlijk geen ideale plek en ironisch gezien ook zeker niet brandveilig. De grote handspuit blokkeerde namelijk deels de vluchtroute in het pand. Zeker in die jaren werd het pand intensief voor optredens en feesten gebruikt door de jongerensoos SmoeS. De brandspuit kon daar dus niet blijven staan.

In Oud Osdorpse kas
Gelukkig was daar toen Wim Schelling uit Oud Osdorp. Hij bood aan om de Slotense en Osdorpse brandspuiten een plek in zijn kas te geven. Door dat genereuze aanbod kon de Slotense spuit voor Sloten-Oud Osdorp behouden blijven en was het niet nodig elders, bij een museum, aan te kloppen.

In de hal en de tuin van de Molen van Sloten
Vanaf het moment dat de Molen van Sloten in 1991 zijn deuren opende, bood voormalig dorpsraad- en molenvoorzitter Ko Kuiper de spuit meteen een nieuw onderkomen aan in de eentreehal van de molen. De klusploeg van de Molen van Sloten (Joop Kool, Herman Kuykhoven en Wim van de Water) heeft de spuit voor deze gelegenheid helemaal opgeknapt. “Deze drie vrijwilligers kregen zelfs de pomp weer aan de praat. Die spoot weer!”, weet de Oud Osdorpse Ko Kuiper te vertellen. “Later kregen we ruimtegebrek in de hal van de molen. We wilden de bezoekers daar welkom kunnen heten en daarvoor moesten we een balie installeren.

Dat was in de tijd van vóór het Kuiperijmuseum (tot 2005), toen de molen nog vrijstond, zonder aanbouw. In de kleine achtkantige hal was toen geen ruimte meer voor die toch wel omvangrijke brandspuit. Herman, Wim en Joop hebben toen een mooi afdakje voor de spuit gemaakt. De brandspuit kreeg een mooie plek in de molentuin, aan de beschutte oostkant van de molen en is sindsdien door al onze bezoekers met be- en verwondering bekeken.”

De zesde woonplek van de brandspuit: onder het afdakje in de tuin van de Molen van Sloten. Foto: Erik Swierstra; 1 februari 2013.

Tot in de zomer van 2021 konden alle molenbezoekers het brandblusapparaat hier bekijken. Op dat moment moest de spuit echter wegens ruimtegebrek opnieuw verhuizen. De Molen van Sloten ging het voormalige Kuiperijmuseum en een groot deel van de tuin verhuren aan de Democratische School Amsterdam. Nu de tuin veel kleiner zou worden, had de molen alle resterende tuinruimte zelf nodig. Voor de spuit moest dus wederom een nieuw onderkomen worden gevonden. Al snel kreeg Tamar Frankfurther van de Werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp, formeel de eigenaar van het blusapparaat, daarom het verzoek om ‘even’ een andere plek voor de brandspuit te vinden. Tamar wilde persé dat dit stukje Slotense cultuurhistorie op Slotens grondgebied zou blijven en vond gelukkig al snel gehoor bij het bestuur van Tuinpark V.A.T.

Op 29 juli 2021 verhuisde de door regen, storm en wind gehavende brandspuit naar Tuinpark V.A.T. Foto: Eveline van Rijn.

Zevende en hopelijk laatste standplaats: Tuinpark V.A.T.
Niet alleen biedt het Slotense tuinpark voortaan onderdak aan de spuit: De tuinders gingen de brandspuit ook helemaal opknappen. Dat was wel nodig ook, omdat de spuit – ondanks het bescheiden afdakje – in de molentuin flink had geleden van de Hollandse weersomstandigheden. Tuinvrijwilligers en broers Henny en Robby Lamijo bouwden ook een royaal onderkomen voor het apparaat. De tuinders bedachten hiervoor een slimme bouwconstructie die aan de ene kant volop zicht op de historische spuit biedt en tegelijkertijd het apparaat goed beschermt tegen de weersinvloeden. Het dak is aan de westkant veel langer gemaakt en helt flink over. Hierdoor kunnen slagregens en sneeuwbuien de brandspuit waarschijnlijk niet raken.

Henny gaat straks voor de zekerheid wel in de gaten houden of dit huisje de spuit inderdaad afdoende beschermt: “Zo niet, dan kunnen we overwegen om aan de west- en noordkant de wanden met glas dicht te maken. Het natte weer komt meestal toch uit die hoek. En op deze manier kunnen we het zicht op de brandspuit aan de andere kanten open houden. We moeten maar zien hoe het loopt. Wat vooral telt is dat we de nu net gerestaureerde brandspuit nu zo goed mogelijk tegen alle weersomstandigheden moeten beschermen, zodat we hem hopelijk nooit meer zo grondig hoeven op te knappen als we het afgelopen jaar noodzakelijk was.”

Tijdens openingstijden kan iedereen de spuit voortaan meteen links naast de entree van Tuinpark V.A.T. komen bewonderen. Uitgaande van het warme welkom en de gedegen aanpak van de V.A.T.-ers verwacht en hoopt de Werkgroep Historie erop dat de spuit hier nog heel lang zal kunnen blijven staan. Zo draagt het tuinpark zijn waardevolle steentje bij aan het behoud en tentoonstellen van dit unieke stukje cultureel erfgoed van en op het dorp waar de spuit thuishoort.

Het zevende (en hopelijk laatste!) onderkomen van de Slotense brandspuit: Goed beschermd en meteen links naast de entree van Tuinpark V.A.T. Op een steenworpafstand van zijn oorspronkelijke standplaats in de voormalige tramremise. Het huisje was nog niet gereed en de brandspuit zal – als het andere wiel is gerestaureerd – worden omgedraaid. Foto: Tamar Frankfurther, 12 augustus 2022.

En daarmee nemen de Slotenaren anno 2022 het stokje over van voorgaande generaties, die zich ook iedere keer opnieuw hebben ingezet om dit – toch wat onhandig grote blusapparaat – steeds weer een plek op het kleine dorp te gunnen. Gelukkig bood Oud Osdorp – toen dat hard nodig was – een paar jaar opvang aan de Slotense brandspuit en zo zie je maar hoezeer de dorpen Oud Osdorp en Sloten er voor elkaar zijn als dat nodig is.

Tamar Frankfurther; 15 augustus 2022.

Zie ook:

*

* Slotense brandspuit verhuist van Molen naar Tuinpark V.A.T.

* De brandweer in de voormalige gemeente Sloten

* Brandspuiten uit Sloten en Oud Osdorp

Brandspuiten uit Sloten en Oud Osdorp

Van de brandweer uit de vroegere gemeente Sloten zijn twee brandspuiten bewaard gebleven: één in Sloten en één in Osdorp. Voor de algemene geschiedenis van de brandweer, zie het artikel: De brandweer in de voormalige gemeente Sloten.

De brandspuit van Sloten op zijn standplaats naast de Molen van Sloten; 29 mei 2011. Foto: Erik Swierstra.

Handspuit Otterbein (Sloten)
Eén van de gemeenten die in 1921 geheel geannexeerd werden bij Amsterdam, was het uitgestrekte Sloten. In het hoofddorp Sloten was een vrijwillige brandweer, die beschikte over een tweewielige handbrandspuit van het fabrikaat Otterbein. Deze spuit is tot 1945 in gebruik gebleven en toen vervangen door een aanhangmotorspuitje, afkomstig van de Luchtbeschermingsdienst. Hoewel officieel buiten dienst gesteld, bleef men in Sloten nog jarenlang het jaarlijkse brandspuitbeproeven met de handspuit volhouden. In 1972 werd het vrijwilligerskorps opgeheven, omdat de beroepskazerne aan de Poeldijkstraat in Slotervaart geopend werd. De spuit bleef vervolgens jarenlang bewaard bij de laatste brandmeester (Sloterweg 1277) en heeft ook jaren bij de Molen van Sloten gestaan. In 2021 verhuisde hij naar het Tuinpark V.A.T. en werd daar in 2022 gerestaureerd.

Zie ook: .

De brandspuit van Oud Osdorp in de nieuwe kazerne uit 2005
aan de Ookmeerweg 2 in Osdorp.

Handspuit Otterbein (Oud Osdorp)
Het langgerekte dorp Osdorp, dat bij de gemeente Sloten hoorde, werd ook in 1921 bij Amsterdam gevoegd, waarmee de vrijwillige brandweer daar ook geannexeerd werd. Er waren in Osdorp twee brandspuiten, waarvan er één al in 1922 werd afgevoerd. Die in het spuithuis, dat het verste van de stad lag, werd nog tot 1948 in gebruik gehouden, totdat ook daar een aanhangmotorspuit werd geplaatst. De Osdorpse spuit was – net als die in Sloten – van het fabrikaat Otterbein, maar geplaatst op een vierwielig onderstel en vrijwel gelijk aan die van de Groote IJpolder (eveneens voormalige gemeente Sloten). Na de opening van de nieuwe beroepskazerne aan de Ookmeerweg 2 in Osdorp in 2005 is de oude Osdorpse spuit daar weer in volle glorie te bezichtigen.

Erik Swierstra
Werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp

Tijdcapsule Sloten is straks bomvol

Afgelopen voorjaar kregen lezers van de Nieuwsbrief Sloten-Oud Osdorp het verzoek om spullen in te leveren voor de tijdcapsule.

Ook dit boekje, dat de werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp in 2002 uitgaf, zit in de tijdcapsule. U hoeft geen (halve) eeuw te wachten om het te kunnen lezen. Het is gewoon te koop bij het kleinste Politiebureautje van Nederland.

Voor vijftig tot honderd jaar afgesloten
“Het is echt zo leuk en interessant om te zien wat iedereen allemaal heeft ingeleverd”, zegt de blij verraste initiatiefnemer Guido Frankfurther. “Ik geef een bloemlezing van wat de inzenders van belang vinden om met toekomstige generaties Slotenaren en anderen te delen. Want de kans bestaat dat deze tijdcapsule pas over vijftig of misschien wel honderd jaar weer geopend wordt.”

Persoonlijke bijdragen
Er waren flink wat bijdragen ingeleverd van persoonlijke aard. Guido: “Er zat er een lange en persoonlijke brief bij waarin een inwoonster vertelde over haar familieleden, huisdieren en het leven op het dorp. Ze vertelt ook over wat haar op dit moment zoal bezig houdt in het leven, zoals de oorlog in de Oekraïne, de klimaatveranderingen en de coronapandemie. Een andere inzender heeft ook de bijzondere geschiedenis van de Molen van Sloten nog eens vast willen leggen. Weer iemand anders diende in hoe de geplande elektronische ‘knip’ op de Sloterweg tot stand is gekomen. Ook de verhalen over een heldhaftige reddingsactie uit het water en het dagelijks leven op de school voor bijzonder onderwijs De Driesprong zijn zeer de moeite waard.”

Boekjes van verleden en stille getuigen uit 2022
Anderen kozen ervoor om allerlei (zelf geschreven) boekjes, folders, foto’s en prentbriefkaarten van het hele landelijke gebied in te leveren. Guido: “Iemand heeft zijn exemplaar van het boekje over de Sloterschool 1595-1985 ingeleverd. Daarnaast trof ik onder andere aan: een verhalenboekje van Geheugen van West, een Dorpengids en het boekje ‘De Veldwachter vertelt’ waarin Slotense laatste veldwachter Freek Raat herinneringen ophaalt. Anderen vonden het van belang dat er recente en wat oudere kranten in de tijdcapsule zaten. Ook leverde iemand de zomereditie van de ‘Allerhande’ van Albert Heijn in. Dit laatste item bevatte een briefje met de tekst: “Hierin kunt u zien wat wij in 2022 zoal aten”.

Rechter en linker GEB-deurtje
Als de beide GEB-deurtjes gereed zijn, zullen ze worden teruggeplaatst. De tijdcapsule zal goed verpakt achter het rechter deurtje verdwijnen. Achter het linker deurtje – dat een slot krijgt en weer naar boven opengeklapt kan worden – zal de oude GEB-telefoon uit 1932 (uit het andere GEB-huisje) worden geplaatst.

Tamar Frankfurther; 10 augustus 2022.

Hoe Sloten begin 20e eeuw elektriciteit kreeg

De speurtocht naar het oplossen van het mysterie waartoe toch de beide GEB-deurtjes achter de brandmelder naast het Slotense Politiebureautje dienden, heeft veel losgemaakt.

Osdorperweg in februari 1934 gezien in noordelijke richting vanuit het dorp Sloten met elektriciteitsmast. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Er kwamen zoveel vragen en reacties over dit onderwerp binnen dat initiatiefnemer voor de restauratie van de deurtjes, Guido Frankfurther, zijn project heeft verbreed.

Aanvankelijk: stroomkabels bovengronds
Guido is zich daarom gaan verdiepen in de geschiedenis van de elektrificatie van Sloten. Wanneer men in de huizen en winkelpanden elektriciteit kreeg en hoe het zat met de komst van de straatverlichting.

Guido Frankfurther: “Door de Eerste Wereldoorlog was er grote schaarste aan steenkool en daarmee aan stadsgas. Daarom besloot de gemeente Amsterdam in 1917 tot aanleg van elektrische straatverlichting in de hele stad. In 1923 doofden de laatste gaslantaarns in Amsterdam.

De gemeente Sloten is in de periode 1918-1920 (kort voor de annexatie in 1921) nog van een eigen elektriciteitsnet voorzien. Hiertoe werd in 1918 besloten door de eigen gemeenteraad. De infrastructuur hiervoor werd aangelegd door de N.V. Algemeene Nederlandse Electriciteits Maatschappij Groeneveld, Ruempol & Co., Haarlemmerweg 317. De stroom werd betrokken van de Gemeente-Electriciteitswerken (GEW) van Amsterdam, opgericht in 1899. Dit bedrijf ging in 1941 op in het Gemeente-Energiebedrijf (GEB).

De elektriciteitsmasten verdwenen waarschijnlijk eind jaren ’30 uit het dorp, omdat de stroomkabels toen ondergronds gingen. Op foto’s van de Sloterweg van 1938 zijn nog duidelijk dergelijke masten te zien”.

Sloterweg, 13 april 1940: De elektriciteitsmasten met draden ontbreken in het straatbeeld. Van links naar rechts de adressen: Sloterweg 1236 (Bakkerij Holla), 1234 (de kapper), 1232 en 1230: Café Het Rechthuis, dit stond op het terrein dat in de jaren ’50 speelplaats / basketbalveld van de Sloterschool werd en sinds de jaren ’90 het Dorpsplein is. Rechts daarvan: het politiebureautje op nummer 1226. De brandmelder en pomp staan nog op hun originele plekken. Tot slot helemaal rechts: een stukje van het pand aan de Sloterweg 1224. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam; Jacobus van Eck.

Amsterdamse kruisjes in de gemeente Sloten?
De aanwezigheid van de drie Andreaskruisjes van Amsterdam op de GEB-deurtjes heeft veel lezers aan het denken gezet. Zouden de deurtjes dan pas ná de annexatie door Amsterdam in 1921 zijn geplaatst? André Bank, Operationeel Installatie Verantwoordelijke bij Alliander en die al vijftig jaar een huisje op volkstuincomplex V.A.T. heeft, denkt dat dit niet zo hoeft te zijn: “Amsterdam voorzag ook diverse gemeenten rondom zijn eigen grondgebied van stroom. In dit geval dus in opdracht van de gemeente Sloten. De Gemeente-Electriciteitswerken regelden bijvoorbeeld ook dat Landsmeer, Uitdam, Driemond en de dorpen in Landelijk Noord elektriciteit kregen. Driemond werd pas in 1966 door Amsterdam geannexeerd en Landsmeer is nog steeds zelfstandig. Grote buurman Amsterdam regelde dat in hun opdracht. Het was voor de kleinere gemeenten ook niet rendabel om dit zelf te doen.”

Geen GEB-vermelding op achterkant
André vervolgt: “Omdat Sloten in 1920 al over een eigen elektriciteitsnetwerk beschikte is het mogelijk dat het Amsterdamse elektriciteitsbedrijf na de annexatie in 1921 de drie kruisjes op de deurtjes heeft geplakt. Dit zou verklaren waarom er ook op de deur aan de achterzijde van het gebouwtje geen enkele link met de Gemeente-Electriciteitswerken (GEW) is waar te nemen, zoals de letters GE(B) en het logo met de fakkel. Op veel andere elektriciteitshuisjes zie je die namelijk wel. Maar meer waarschijnlijk is het dat de kruisjes er al vanaf het begin opzaten, omdat de infrastructuur door een Amsterdams bedrijf werd aangelegd met stroomafname van de Amsterdamse GEW in opdracht van de gemeente Sloten.”

Ritterlantaarn op de hoek van het Kerkrondje rond de Sloterkerk en het huidige Dorpsplein in 1956. Café Het Rechthuis is al gesloopt, maar het basketbalveld is nog niet aangelegd. De moderne versie van de Ritterlantaarn met LED-verlichting verlicht de dorpskern nog altijd. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam.

Ook rechter deurtje van vóór de annexatie
In Amsterdam werd de straatverlichting vanaf 1917 elektrisch. Voor die tijd waren er gasarmaturen in bestaande Ritterlantaarns. Deze lantaarns staan tegenwoordig nog steeds in een groot deel van Sloten. Guido: “De elektrificatie van de gemeente Sloten in 1918-1920 maakt dat we zeker weten dat ook het rechter GEB-deurtje er in 1920, een jaar vóór de annexatie van de gemeente Sloten, al was en gebruikt werd. In de kast daarachter zat de apparatuur om de elektrische lantaarns op het dorp aan te sturen: een Openbare Verlichtingsklok en een schakelaar om overdag alle straatlantaarns op het dorp aan te zetten voor een test. Deze apparatuur was dus hoogstwaarschijnlijk in de laatste jaren voor de annexatie al in gebruik.”

Tamar Frankfurther, met dank aan Erik Swierstra; 2 juli 2022.

Zie ook:

* Overzicht artikelen over gedenksteen ‘Sloten 100 jaar geannexeerd en GEB-deurtjes in Sloten (pdf)

Het monument aan de Osdorperweg

Aan de Osdorperweg, tussen het oude dorp Osdorp en de Lutkemeerweg staat een monument dat herinnert aan slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. Het is niet bekend wanneer en door wie het monument is geplaatst, maar het staat er waarschijnlijk al van kort na de Tweede Wereldoorlog.

Het monument bestaat uit een kleine obelisk op een voetstuk. Dit staat op een vierkante basis. Rond de basis is een sierstrook van kiezelstenen die op de vier hoeken wordt afgesloten door stenen zuiltjes met kettingen ertussen. Ervoor ligt een stenen tegel met een inscriptie in het Nederlands en het Engels.

Monument te Oud Osdorp

Op het monument zijn de namen vermeld van twee bewoners van Oud Osdorp die door oorlogshandelingen zijn gesneuveld. Petrus Franciscus Bierman sneuvelde in Oegstgeest, al op de eerste dag van de oorlog in Nederland, Jan Kars sneuvelde in het najaar van 1944, tijdens de bevrijding van Zeeuws-Vlaanderen.

Op 4 mei 2017 is voor het monument een tegel onthuld die herinnert aan een omgekomen Amerikaanse piloot die met zijn vliegtuig in 1943 neerstortte in een weiland nabij de Osdorperweg.

Tekst

De tekst op het voetstuk luidt:

“Gevallen voor het Vaderland

Petrus Franciscus Bierman

Geb. 8 dec. 1914

Gesneuveld en begraven

10 mei 1940 te Oegstgeest

Jan Kars

Geb. 20 april 1919

Overleden 20 oct. 1944

en begraven

te Waterlandkerkje

in Zeeland”

De tekst op de gedenktegel luidt
“Deze tegel herdenkt een Amerikaanse piloot van de US Army Air Force (USAAF). Op 8 oktober 1943 werd zijn P-47 Thunderbolt getroffen door een Duitse Jager. Hij stortte neer in de buurt van Amsterdam, raakte vermist en werd overleden verklaard. 2 LT Dover Chalmond Fleming jr. (1917), Piloot. Hij stierf voor onze vrijheid.

This plaque commerorates an American pilot of the US Army Air Force (USAAF). On October 8, 1943 he got missing when his Thunderbolt bomber, hit by a German fighter, crashed in the surroundings of Amsterdam. He is regarded as killed in action. 2 LT Dover Chalmond Fleming jf. (1917). He sacrificed his life for our freedom.”

Wijzigingen
In 2008 is het monument na herprofilering van de Osdorperweg opgeknapt. De tekst is opgefrist en de verdwenen kettingen werden vervangen door vier nieuwe. In 2018 is de gedenktegel verder aangepast.

 

De geschiedenis

Het monument aan de Osdorperweg te Amsterdam (gemeente Amsterdam) herinnert aan twee Osdorpse militairen en een geallieerde piloot.

De namen van de slachtoffers luiden: Petrus Franciscus Biermans, Dover Chalmond Fleming jr., Jan Kars.

Piet Bierman
Piet Bierman (Sloten, 8-12-1914) woonde met zijn ouders en de andere kinderen aan de Osdorperweg 565. Op 9 mei 1940 kreeg hij plotseling de oproep zich bij zijn regiment in Lisse te voegen. In die nacht begon de Duitse overval. Het eerste Regiment Infanterie (I-1 RI) moest Den Haag verdedigen en rukte op naar Rijnsburg. Bierman hoorde bij de mitrailleurcompagnie (MC). In Oegstgeest, op de Valkenburgseweg, werd de colonne aangevallen door een Duits vliegtuig. Piet en negen anderen raakten zwaar gewond. Een Fries sterft ter plekke. De anderen korte tijd later. Piet overlijdt diezelfde dag in het Militair hospitaal in Oegstgeest. Hij werd op 14 mei begraven bij het Groene Kerkje ter plaatse. Daar bleef zijn lichaam tot 22 december 1977, toen het werd bijgezet op het Ereveld Grebbeberg.

Dover Ch. Fleming jr.
Dover Chalmond werd in 1917 in de Amerikaanse staat Mississippi geboren, in Calhoun County. Zijn vader droeg dezelfde naam, zijn moeder heette Jerusha en hij had twee zussen, Ila en Elvira, en een broer, Fester. Tweede luitenant Fleming nam vanuit de Engelse basis Holesworth op 8 oktober 1943 deel aan de alles-of-niets aanval, op het Duitse Bremen. Hij hoorde bij het 63e squadron, de 62e fighter group van de Amerikaanse luchtmacht (USAAF). De P-47 Thunderbold is een zware jager-bommenwerper en heeft maar 1 bemanningslid. Deze keer vloog Fleming in de kist van zijn kapitein, William H. Janson. Boven het IJsselmeer werd hij door een Messerschmitt 109 beschoten. Dovers collega Kidd Hofer haalde dat toestel neer, maar Fleming kon niet verder. Hij haakte af van de formatie en crashte. Sinds 1979 werd gedacht dat de crash bij de Osdorperweg was, maar na recent onderzoek van Jon van der Maas (SGLO) bleek dat een vergissing te zijn.  Fleming werd geregistreerd als Missed in Action (MIA). Op 14 augustus 1945 werd zijn dood administratief vastgesteld. Dover Chalmond Fleming jr. wordt op de Amerikaanse begraafplaats Margraten herdacht op de Muur der Vermisten.

Jan Kars
Jan werd op 20 april 1919 geboren als zoon van Tonia Kars. Haar latere man, Klaas Duijster, erkende Jantje en deze groeide met acht broers en zussen op aan de Osdorperweg 496. Maar zijn naam bleef Kars. Jan was lang en had opvallend rood haar. Hij zong graag, en was lid van de jongelingsvereniging en het jongerenkoor van de hervormde kerk in Sloten, waar hij ook belijdenis deed. Jan werkte eerst aan het onderwegje van de Osdorperweg bij tuinderij van Berkel. Na zijn militaire dienst bij het paardenvolk; kwam hij in bij de Koninklijke Marechaussee terecht. Deze stationeerde hem in Oostburg, Zeeuws Vlaanderen. Voor hij eind juli 1940 hierheen vertrok ging Jan in ondertrouw met zijn katholieke verloofde, Ans Kruissen. Een brief uit de marechausseekazerne van Oostburg van mei 1945 schrijft dat Jan lang ondergronds werkte. Zijn zuster Greet zei dat Jan joodse gevangenen op weg naar Vught had helpen ontsnappen. Jaap Gerritsen (1922), ondergedoken bij een zus van Jans moeder, weet dat Jan onderduikers van Rotterdam naar Groningen moest brengen. Als politieman kon hij dat makkelijker doen dan een ander. Kars zat in het verzet maar vertelde er weinig van. Hij wordt echter bekend; als hij op 4 augustus 1944 meewerkt aan de overval op het distributiekantoor van Oostburg. Hij zorgt voor de sleutel van de kluis en zet de achterdeur van het kantoor open. Daarna duikt hij in Oostburg onder. Zijn besluit om in oktober 1944, samen met boer de Bruyne en verzetsvrouw Francien de Zeeuw, door de vuurlinie bij Waterlandkerkje te gaan betekent het einde van zijn leven. De drie wilden de geallieerden waarschuwen hun boerderij met zo’n 80 gevluchte burgers niet te bombarderen. Onderweg werd een granaat naar hen gegooid. Alleen Jan werd geraakt en kwam om het leven. Na de bevrijding van West-Zeeuws-Vlaanderen werd Jan Kars begraven in Waterlandkerkje en afgebeeld als prominent lid van partizanengroep De Vos. Francien de Zeeuw, die kort daarna de eerste vrouwelijke militair (MARVA) werd, sprak vaak over hem. Zijn lichaam werd in 1946-1947 overgebracht naar het kerkhof bij de hervormde kerk van Sloten. Op 29 juni 1970 werden zijn stoffelijke resten bijgezet op het Nationaal Ereveld Loenen. 

Oprichting
Het is niet geheel duidelijk wanneer en door wie het monument is opgericht. Omdat de stoffelijke resten van Jan Kars waarschijnlijk in de loop van 1947 zijn overgebracht van Waterlandkerkje (Zeeuws-Vlaanderen) naar de begraafplaats bij de Nederlands-Hervormde kerk van Amsterdam-Sloten, moet het monument van voor die tijd zijn. Oude bewoners van Osdorp denken dat het monument werd gesticht door het Oranjecomité.

Op 4 mei 2017 is door het 4-5 mei comité Oud-Osdorp in aanwezigheid van adoptievrienden van de Amerikaanse begraafplaats te Margraten door de Amerikaanse consul David McCawley een gedenktegel gelegd voor Dover Chalmond Fleming jr.

Locatie
Het monument aan de Osdorperweg bevindt zich op de hoek van de Osdorperweg en Lutkemeerweg te Amsterdam (gemeente Amsterdam).

Bronnen
* Traces of War. ‘Monument PF Bierman en J Kars‘ (hwww.tracesofwar.nl)
* Jon van der Maas, artikel over de noodlandingen in 1941 en 1943 aan de Osdorperweg in: Bulletin van de Studiegroep Luchtoorlog (zie www.studiegroepluchtoorlog.nl);
* Pim Ligtvoet, In de schaduw van de oorlog. 1940-1945 in de polders van Amsterdam Nieuw-West. Stichting de Driehoek; 2015. ISBN 
9789490586164;
* Pim Ligtvoet, Osdorper Jan Kars (1919-1944), partizaan in Zeeuws-Vlaanderen. In: Tijdschrift – Bulletin van de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen, 11/2/42, juni 2016 (p.15-39).

Informatie en tekst ontleend aan: Amsterdam, Monument aan de Osdorperweg (www.4en5mei.nl)

Zie ook:  (www.slotenoudosdorp.nl)