Geschiedenis

Fietsersbond blij met snelfietsroute tussen Schiphol en de Zuidas

De Fietsersbond Amsterdam stemt in grote lijnen in met de voorstellen uit de Concept Ontwikkelstrategie voor De Oeverlanden. Zo blijkt uit hun Inspraakreactie.

Het bestuur geeft aan verheugd te zijn dat de snelfietsroute Schiphol − Oeverlanden − Zuidas een belangrijk onderdeel van de plannen is. Voor de overige fietsroutes binnen het gebied pleiten zij voor terughoudendheid: de bestaande Oeverroute biedt al veel afwisseling en doorzichtjes.

Doorsteek vanaf Plantijnpad is wenselijk
De betere toegankelijkheid, met nadruk op Johan Huizingalaan en Anderlechtlaan, is teveel vanuit de auto gedacht. Beide wegen zijn Hoofdnet Auto, en daarmee druk en onaantrekkelijk om langs te fietsen. Zet voor fietsers daarom vooral in op de drie overige ingangen: Jaagpad (autoluw), Christoffel Plantijnpad (autovrij) en Ringvaartdijk (autovrij). Vanuit het Plantijnpad is een, nu ontbrekende, logische en korte doorsteek richting Oeverpad wenselijk.

Voor fase I heeft de Fietsersbond een sterke voorkeur voor realisatie van het snelfietspad Oude Haagseweg- Riekerweg, met tijdelijke doorbinding langs het Jaagpad naar de Schinkelsluizen. Dit hoeft relatief weinig te kosten.

Tamar Frankfurther; 23 juli 2021.

Wees- en Armenhuis (1906) met zijn rijke historie kan er weer járen tegen

Het gezichtsbepalende pand aan de Slotense Akerpolderstraat is in het voorjaar van 2021 grondig (en verantwoord) gerenoveerd en kan er weer jaren tegen. Wezen, bejaarden, krakers, jongeren: Het Wees- en Armenhuis heeft in de afgelopen 115 jaar opeenvolgende generaties bewoners zien komen en gaan. Een mooie gelegenheid om terug te kijken op een bijzonder stukje dorpsgeschiedenis.

Het Slotense Wees- en Armenhuis omstreeks 1910 met de oorspronkelijke hoektorens, gefotografeerd vanaf de Sloterkerk. In de jaren twintig werd er een derde verdieping toegevoegd. Foto: Collectie Suze van Scheppingen.

Liefdadigheid
Armen en wezen: de dorpen en steden waren er in de 19e eeuw vol van. De afwezigheid van sociale voorzieningen, de lage levensverwachting, besmettelijke ziekten die de ronde deden en de algemene slechte gezondheid van de bevolking eisten hun tol. Wie oud of ziek was en niet in staat was om te werken, was aangewezen op de hulp van familie of buren, of op de bedeling en liefdadigheid van de kerk of het gemeentebestuur. Iedere gemeente had wel een armenzorginstelling. Zo ook Sloten. Hier beschikte de Hervormde kerk al in 1774 over een diaconiehuis voor de armen. In 1895 bouwde het gemeentelijk armbestuur een eigen Wees- en Armenhuis naast deze diaconie. In de volksmond stond het al snel bekend als ‘het gesticht’. Wegens bouwvalligheid moest het in 1905 worden afgebroken. Toen werd een leeg terrein aan de rand van het dorp aangewezen als plek voor een nieuw tehuis, het huidige Wees- en Armenhuis. De Slotense aannemer M. van der Mel wist als laagste inschrijver de bouwopdracht in de wacht te slepen.

Hoektorens
Het pand was gereed in 1906. Het had oorspronkelijk twee karakteristieke, vierkante hoektorens en bevatte onder meer twee slaapzalen en een grote zolder. De hoekkamers werden bewoond door de wezen. Onder begeleiding van de weeshuisvader en -moeder bezochten zij elke zondag de verplichte kerkdiensten. Net als de inwonende ‘arme oudelieden’ waren zij altijd herkenbaar aan hun uniform, dat op de mouw was gemerkt met de A.v.S. (Armen van Sloten?).

Het bestuur van het tehuis bestond uit vijf regenten en drie regentessen. De kerkelijke verhoudingen werden daarbij nauwlettend in het oog gehouden: Volgens het reglement moesten er van de acht bestuurders drie rooms-katholiek en vijf hervormd zijn.

Het Wees- en armenhuis na de verbouwing met drie verdiepingen; 1938.
Collectie Suze van Scheppingen.

Bejaarden
Nadat Sloten in 1921 door de gemeente Amsterdam was geannexeerd, werd het Wees- en Armenhuis een dependance van het Amsterdamse oudeliedenhuis in de Roeterstraat. Er volgende een ingrijpende verbouwing. De hoektorens verdwenen. Er kwamen meer ramen in de voor- en zijgevels en er werd een derde verdieping op het gebouw gezet om ruimte te maken voor extra slaapzalen. De kamers voor de wezen kwamen te vervallen. Het pand bood daarna ruimte aan 42 oude mannen en 16 vrouwen. Het Boerentuintje aan de overkant van de Akerpolderstraat was oorspronkelijk de moestuin van het tehuis. De tuin zorgde ervoor dat de armen gezonder aten dan in vergelijkbare instellingen het geval was. De oude bewoners van het pand zaten ook vaak in het tuintje op bankjes in de zon.

Krakers
Het Wees- en Armenhuis bleef bijna een halve eeuw als bejaardenhuis in gebruik. Ernaast werd een recreatie- en eetzaal gebouwd waar de bejaarden via een loopbrug naar toe konden lopen. Op den duur voldeed het pand niet meer aan de moderne eisen. Begin 1972 werd het tehuis gesloten. De laatste bejaarden verhuisden naar het Flevohuis in Amsterdam-Oost. Na een jaar leegstand werd het gebouw, tot ongenoegen van de Dorpsraad, op 17 januari 1973 bezet door Amsterdamse krakers. Zij deden moeite om in de dorpsgemeenschap te worden opgenomen en organiseerden bijvoorbeeld activiteiten voor de Slotense jeugd in de recreatiezaal. Na ruim drie jaar vertrokken de krakers eind 1976. De Slotense architect en dorpsraadlid Hopman kreeg van woningbedrijf Tuinstad van de gemeente vervolgens de opdracht om 20 zelfstandige wooneenheden voor jongerenhuisvesting in het Wees- en Armenhuis te maken. De verbindingsbrug werd afgebroken en de recreatiezaal werd ingericht als Dorpshuis. Ook jongerenvereniging SmoeS had hier jarenlang zijn thuisbasis.

Jongeren
Aanvankelijk werden alle 20 kamers met eigen sanitaire voorzieningen verhuurd aan jongeren uit het landelijk gebied Sloten-Oud Osdorp. Zo konden zij in een bekende omgeving in de buurt van hun ouders veilig ‘uitvliegen’. Jongeren meldden zich aan bij de werkroep Woningtoewijzing van de Dorpsraad. Als de werkgroep van de verhuurder (per 2000 was dat Woningbouwvereniging Intermezzo) hoorde dat er weer een HAT-eenheid vrijkwam, kreeg de bovenste op de lijst een telefoontje. Rond 2004 kreeg de werkgroep Woningtoewijzing te maken met een nieuw fenomeen: illegale onderhuur. Daarom werd de regel ingevoerd dat jongeren een half jaar na het afronden van hun studie hun woning moesten verlaten. Dat was ook hard nodig: er stonden wel 28 jongeren op de wachtlijst.

De entree van het Wees- en armenhuis aan de Akerpolderstraat 9 t/m 47.
Foto: Erik Swierstra; 3 april 2012.

Verhuur wordt verkoop
Intermezzo deed het pand met huurders en al in 2006 over aan de stichting DUWO voor studentenhuisvesting. Na harde onderhandelingen lukte het de Dorpsraad om nog de helft van de vrijgekomen HAT-eenheden aan jongeren uit Sloten en Oud Osdorp beschikbaar te stellen. Tot grote teleurstelling van de Dorpsraad besluit DUWO (later DUO) in 2011 de vrij te komen wooneenheden te gaan verkopen. Anno 2021 zijn er nog twee huurders over. Op de tweede verdieping staat nu een studio. (Akerpolderstraat 39) te koop van 24 m² voor 165.000 euro. Het Wees- en Armenhuis heeft tegenwoordig een actieve vereniging van eigenaren onder de naam “Vereniging van eigenaars Akerpolderstraat 9 – 47”. Het pand is straks in gezonde staat klaar voor de toekomst.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van informatie uit het archief van de werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp met daarin informatie bijeen gebracht door Jan Bardet.

Tamar Frankfurther, juli 2021.

De brandweer in de voormalige gemeente Sloten

Een eeuw geleden, in 1921, werd de gemeente Sloten door Amsterdam geannexeerd. Daarmee werd ook de Brandweer van deze gemeente onderdeel van de Amsterdamse Brandweer.

84 jaar na de annexatie werd er in de tuinstad Osdorp, nabij het landelijke dorp Oud Osdorp, aan de Ookmeerweg een nieuwe brandweerkazerne in gebruik genomen. Het onderstaande artikel werd ter gelegenheid hiervan in 2005 geschreven en geeft een aardige indruk van de geschiedenis van de Brandweer in de voormalige gemeente Sloten.

Honderdtwintig jaar brandweer in Sloten en Osdorp

Hè? 120 Jaar? 120 uur toch?
Vijfentwintig jaar nadat de eerste paal in de grond zou gaan voor een nieuwe brandweerkazerne in de wijk Osdorp gaat eindelijk de vlag in top voor zo’n gebouw. Het nieuwe gebouw aan de Ookmeerweg 2 staat maar op een steenworp afstand van waar vroeger het spuithuis voor het dorp Osdorp stond. We gaan even 120 jaar terug in de tijd daarvoor.

Gemeente Sloten
Het is nauwelijks voor te stellen dat het hele Amsterdamse gebied ten westen van de Schinkel en het Westelijk Marktkanaal ruim honderd jaar geleden vooral een agrarisch gebied was. Er waren drie dorpen en drie buurtschappen: Sloten, Sloterdijk, Osdorp en de buurtschappen Groote IJpolder, Overtoom en Baarsjes. De Groote IJpolder was pas ontstaan tijdens de aanleg van het Noordzeekanaal rond 1875 en het toen drooggemaakte land uit de brede zeearm daar werd toebedeeld aan de aanpalende gemeenten en dat was toen voor een belangrijk deel Sloten. Hoe het vóór 1885 geregeld was, is niet zo makkelijk terug te vinden, maar vanaf dat jaar was er een brandspuitreglement, dat de gang van zaken bij brand in de dorpen regelde. Zoals in de meeste gemeenten kende ook Sloten een burgerdienstplicht, waarbij alle mannelijke ingezetenen van een bepaalde leeftijd verplicht konden worden om wacht- of brandblusdiensten te doen.

(N.B. Door op de afbeelding te klikken kan een vergrote weergave worden getoond.)

Kaart van de gemeente Sloten voor 1921 met de locaties van de brandspuithuisjes (kleine stippen) en van de huidige brandweerkazernes (grote stippen).

Zo dicht tegen Amsterdam kon het niet uitblijven dat ook de gemeente Sloten, toendertijd qua oppervlakte één van de grootste van Nederland, meeprofiteerde van de stad. Veel industrie die in Amsterdam geen ruimte kreeg ‘sprong’ over de Kostverlorenvaart en Schinkel. Niet veel later werden er aan de gene zijde van deze waterweg ook woonwijken gebouwd. De grond was er goedkoper en de strenge bouwverordening van Amsterdam gold daar niet. Zo verrees vanaf 1910 een hele buurt rond de Admiraal de Ruyterweg, die tot aan het dorp Sloterdijk reikte. Ook aan de Slotense zijde van de Overtoom werd een heel buurtje uit de grond gestampt. Het lag voor de hand om ook voor die nieuwe wijken de brandweerzorg adequaat te regelen en op 11 augustus 1911 stelde de gemeenteraad van Sloten een nieuwe brandweerreglement vast, dat op 1 september in ging. Twee jaar later, op 31 juli 1913, werd het gewijzigd en verder aangepast aan de verstedelijkte wijken. Zie: Reglement Brandweer Sloten NH – 1911.

Voor de brandweerzorg was de gemeente Sloten vanaf 1913 ingedeeld in zeven ‘brandwijken’. Materieel en personeel waren als volgt verdeeld:

In de garage van het politiebureautje aan de Admiraal de Ruyterweg, dat in 1913 in gebruik werd genomen, stonden twee slangenkarren en een mechanische brandladder. Omdat de wijk was aangesloten op een goed functionerende waterleiding was daar geen brandspuit nodig en kon worden volstaan met karretjes met opzetstuk, slangen en straalpijpen. De kar die nu in de kantine van de kazerne Hendrik staat, is waarschijnlijk één van die karren van de Admiraal de Ruyterweg geweest.

Vrijwillige brandweer Sloten
Volgens het reglement van 1911 waren de brandmeesters herkenbaar aan een uniformpet, waarbij de 1e brandmeesters een gouden- en de 2e en 3e brandmeesters een zilveren bies hadden. Bovendien waren alle brandmeesters voorzien van een brandmeesterstok, getooid in de nationale kleuren, een gemeentewapen, het nummer van de brandwijk en de functie (‘kwaliteit’ genoemd). De pijpvoerders en spuitgasten hadden leren riemen die om de linker bovenarm gedragen moesten worden en waarop het nummer van de brandwijk stond vermeld. Tenminste één keer per jaar moest al het brandweermaterieel beproefd worden in aanwezigheid van burgemeester en wethouders. Opvallende bepalingen in het reglement waren die over ongevallen van brandweerpersoneel: ver vóór de Ongevallenweg van 1920 had Sloten in de artikelen 27 en 28 geregeld dat de brandweermensen bij ziekte of de nabestaanden bij overlijden in brandweerdienst aanspraak konden maken op een vergoeding ter loonderving of levenslang pensioen!

Oefening van met de brandspuit van Sloten. Ter hoogte van Sloterweg 1277; 1955. Foto: Nationaal Brandweer Documentatiecentrum.

De regeling van 1911 ging uit van vaste brandweerkorpsen, waarbij de brandmeesters door B & W benoemd werden en die brandmeesters op hun beurt weer zorgden voor liefhebbers voor de functies bij de spuiten. Kwam men in noodgevallen te kort, konden ter plekke mensen geronseld worden. In feite had men daar dus een vaste vrijwillige brandweer. De brandmeesters kregen een vaste jaarlijkse vergoeding en de pijpvoerders en spuitgasten werden per uur betaald. Op 18 mei 1920, toen de annexatie door Amsterdam onvermijdelijk leek, werd het reglement nog even gauw aangepast en de jaarlijkse vergoedingen voor de brandmeesters opgetrokken. Mede door de (eerste) wereldoorlog waren de prijzen natuurlijk ook wat anders komen te liggen. De brandmeesters van Sloten, Osdorp en Groote IJpolder zagen hun jaarvergoeding stijgen van 25 naar 100 gulden, die van Sloterdijk van 40 naar 100 gulden en die van Overtoom, Baarsjes en Admiraal de Ruyterweg (het stedelijke gebied zullen we maar zeggen) van 75 naar 100 gulden. Men verwachtte blijkbaar dat Amsterdam de vrijwillige brandweerkorpsen gewoon in stand zou moeten blijven houden.

Omdat in het stedelijke gebied van Sloten de vrijwillige brandweer niet altijd snel of adequaat kon optreden werd met Amsterdam een overeenkomst gesloten, dat de Amsterdamse brandweer te hulp kwam bij de grotere branden. Daarvoor werd door Amsterdam dan een rekening gestuurd. Het is diverse keren voorgekomen dat Amsterdam te hulp moest schieten. Al op 19 december 1877, toen de Amsterdamse beroepsbrandweer nog maar drie jaar oud was, moest zij te hulp komen bij een grote brand in de koolteerfabriek aan de Baarsjes. Ook bij de grote brand in de biscuitfabriek aan de Haarlemmerweg op 26 oktober 1904 werd door Amsterdam een stoomspuit gezonden. Grote branden in de woonhuizencomplexen aan de Admiraal de Ruyterweg vonden plaats op 19 mei 1912, 14 maart 1913, 7 februari 1914 en 16 januari 1918. Op 22 april 1920 werd een brand in de papierfabriek van Cats in Sloterdijk geblust en op 11 juni 1920 een boerderijbrand aan de Baarsjesweg.

Annexatie in 1921
Per 1 januari 1921 werd het grondgebied van de gemeente Amsterdam aanzienlijk uitgebreid. Behalve aan de noord-, oost- en zuidzijde van de stad, werd ook aan de westzijde een groot gebied toegevoegd door de gehele gemeente Sloten te annexeren. Daarmee kreeg Brandweer Amsterdam ineens een uitbreiding met 486 vrijwilligers, verdeeld over 20 posten, terwijl het korps tussen 1898 en 1921 uitsluitend uit beroepskrachten had bestaan. Nadat in 1922 alle automobiel-motorspuiten in dienst gesteld waren, was een snelle bereikbaarheid van alle hoeken van de gemeente verzekerd en werd er een groot aantal vrijwillige posten opgeheven. In de voormalige gemeente Sloten trof dat lot natuurlijk de drie brandwijken die tegen de stad aan lagen. De posten in Sloten, Sloterdijk, Osdorp en de Groote IJpolder bleven voorlopig gehandhaafd. De spuithuizen van de Baarsjes (Baarsjesweg 136 – staat er nog), Overtoom (Jacob Marisplein) en Admiraal de Ruyterweg (achter het politiebureau) werden overgedragen aan de politie. De aanwezige handbrandspuiten werden gekeurd en herverdeeld, zodat de beste en jongste exemplaren bewaard bleven.

Het nog bestaande politieposthuis uit 1906 aan de Baarsjesweg 136. Achter de deur rechts met de ronde bovenkant stond de brandspuit van De Baarsjes.
Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam; 27 april 1978.

Gaandeweg rukte de stad Amsterdam op en in 1947 werd het spuithuis van Sloterdijk opgedoekt. Twee jaar daarvoor werden alle brandweren die nog over waren, Sloten, Osdorp en Groote IJpolder, voorzien van aanhangmotorspuitjes, die overgenomen waren van de Luchtbeschermingsdienst (LBD). In 1966 werd de buurtschap Grote IJpolder opgeofferd aan het oprukkende Westelijk Havengebied en met de komst van de brandweerkazerne Pieter aan de Poeldijkstraat in Slotervaart was er ook geen emplooi meer voor de brandweren in Sloten en Osdorp, die dan ook in 1972 werden opgeheven. Omdat in het landelijke gebied in die buurt toch regelmatig van kleine wegen gebruik moest worden gemaakt, werd op de nieuwe kazerne Pieter een baby-uitrukvoertuig met aanhangmotorspuit gestationeerd. Na enkele jaren was ook daar geen noodzaak meer toe. De stedelijke bebouwing was bijna tot aan de gemeentegrenzen gekomen en daarmee ook een redelijk wegennet.

Het brandspuithuisje van Oud Osdorp (links) aan de Osdorperweg 583. Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam; 12 juli 1967.

De Slotense handspuit, die oorspronkelijk in het (nog bestaande) politieposthuisje aan de Sloterweg was geplaatst, verhuisde in 1925 naar een hokje op het Kerkplein en in 1942 naar een degelijk gebouwd spuithuisje achter het perceel Sloterweg 1277, niet toevallig de woning van de brandmeester Gerrit van der Puy. Het spuithuis van Osdorp was bij de annexatie in 1921 al in gebruik als arrestantenhuisje annex spuithuis en bleef tot 1972 in ieder geval voor de brandweer gehandhaafd. In de jaren tachtig is het gebouwtje gesloopt. Het stond aan de Osdorperweg C-85 (later 585), vlakbij de Lutkemeerweg. Inmiddels was het LBD-spuitje in 1970 vervangen door een moderner draagbare motorspuit, zij het op het oude onderstel.

Het oude politiebureautje van Sloten bood voor 1925 ook onderdak aan de brandspuit van Sloten. Foto: Erik Swierstra; 19 april 2016.

Het oude brandweermaterieel is voor een belangrijk deel bewaard gebleven: de oude handspuit van Sloten heeft nog jarenlang in het dorpshuis gestaan en daarna bij de Molen van Sloten, die van de Groote IJpolder op de kazerne Hendrik en is nu in beheer bij de Stichting Behoud Erfgoed Brandweer Amsterdam en die van Osdorp stond bij de heer Van der Puy in de schuur en is nu in handen gekomen van de bezetting van de nieuwe Osdorpse kazerne. Zoals al opgemerkt, staat één van de slangenwagens nog in de kantine van de kazerne Hendrik.

Het brandspuithuisje van het dorp Sloten achter het huis Sloterweg 1277.
Foto: Erik Swierstra; 5 mei 2015.

Beroepskazernes in Sloten
In het voormalige gebied van de gemeente Sloten werd – zeker na de oorlog – veel en snel gebouwd. De hele plattegrond van het gebied veranderde drastisch. Alleen van de Sloterweg, de Osdorperweg, Lutkemeerweg, Haarlemmerweg, Admiraal de Ruyterweg en Hoofdweg is het stratenplan voor een deel hetzelfde gebleven. Overal elders zijn er straten, wijken en industriegebieden ingetekend op de kaart.

De eerste beroepsbrandweerkazerne in het toen nog ‘wilde’ westen was de tijdelijke in de GVB-garage aan de Jan Tooropstraat. Naar goed gebruik kreeg deze de telegrafische aanduiding van de straat en dat werd de ‘T’. In 1959 nam de brandweer daar met een nieuwe nevelspuit (tankautospuit hogedruk) zijn intrek bij het GVB. Bij alarm moest men van het kantinedeel, waar men een paar ruimtes had, helemaal naar de andere kant van de garage hollen, waar de auto stond.

De brandweerkazerne aan het Jan van Schaffelaarplantsoen 8 in Bos en Lommer.
Foto: Beeldbank Stadsarchief; circa 1965.

In 1965 werd de gloednieuwe kazerne aan het Jan van Schaffelaarplantsoen in gebruik genomen. Daar kwam – naast de nevelspuit – ook een gewone groot-vermogenautospuit (DAF), die autospuit T werd, waardoor de kleine nevelspuit de naam T-1 kreeg. De kazerne aan het Jan van Schaffelaarplantsoen was de eerste doelgericht ontworpen brandweerkazerne sinds die in de Dapperstraat (1912). Alle mutaties in die tussentijd betroffen steeds verbouwde scholen of tram- of busremises. Overigens past de kazerne Teunis, zoals die inmiddels is gaan heten, niet meer in het City-plan van het stadsdeel Bos en Lommer en werd het pand in 2005 verlaten. Inmiddels staan er woningen.

De brandweerkazerne aan de Poeldijkstraat 20. Foto: Wikimedia; 20 maart 2019.

De tweede nieuwe kazerne in de voormalige gemeente Sloten was de al aangehaalde kazerne in de Poeldijkstraat, die in 1972 in plaats kwam van de tijdelijke post aan de Frederiksstraat (‘Friksteeg’), een zijstraatje van de Overtoom, waar men dertig jaar gebivakkeerd had in een stukje school en onderstuk met garagedeur. De derde nieuwe kazerne in de voormalige gemeente Sloten is in 2005 eindelijk in Osdorp gekomen en heeft een lange voorgeschiedenis.

De nieuwe kazerne in Osdorp
Al bij de opening van de kazerne Pieter (1972) werd een voorschot genomen op de nieuwe kazerne in Osdorp, die ingevolge het dekkingsplan van de jaren zeventig hard nodig zou worden, omdat de stad zich in westelijke richting bleef uitbreiden. Ook in Noord, Zuidoost en Zuid had de brandweer nieuwe kazernes kunnen bouwen in de jaren zeventig en als sluitstuk van de ‘buitenring’ werd in 1978 begonnen met het ontwerp van een nieuw combinatiegebouw van politie en brandweer aan Meer en Vaart in Osdorp.

Door de architect mevrouw H.E.M. Beukema, was een complex geprojecteerd, bestaande uit een politiebureau (zoals aan de Waddenweg, maar dan in spiegelbeeld) en een brandweerkazerne daartegenover, waaraan ook de garage voor politievoertuigen verbonden was. In 1979 werden de tekeningen gepresenteerd en verwacht werd dat in 1980 de eerste paal in de grond zou gaan. Er tekenden zich echter bezuinigingen af, waardoor een rijkssubsidie voor dit soort nuttige gebouwen kwam te vervallen. Het politiebureau kwam er na enig gesteggel met het rijk wél, maar de brandweerkazerne werd op de lange baan geschoven.

Vele jaren van bezuinigingen en prioriteitsverleggingen volgden, maar in 1997 gloorde weer enig perspectief. De locatie naast het politiebureau was inmiddels volgebouwd, zodat naar een andere plek moest worden gezocht. Die werd gevonden in de middenberm van de Troelstralaan ter hoogte van de Willinklaan, naast het athletiekcomplex. De uitkomsten van het onderzoek naar de brandweerdekking in dit stadsdeel maakte de bouw urgent, zodat van de centrale stad het geld uiteindelijk werd toegezegd. Inmiddels was er echter een stadsdeelbestuur tussen gekomen en begon een bijna eindeloos debat over de locatie. Tot ieders verbazing verrees er – nog tijdens dat debat – ineens een compleet asielzoekerscentrum op de voor de brandweer geplande plaats. Voorlopig kon de brandweer de ijskast weer in.

De brandweerkazerne Osdorp aan de Ookmeerweg. Foto: Wikimedia; 2010.

Voor de locatie Troelstralaan waren fraaie plannen gemaakt door het architectenbureau Dietzsch & Van der Sanden, die hun ontwerp probeerden aan te passen aan de groenrijke omgeving, maar die plannen konden weer in de onderste lade. Uiteindelijk kon in 2003 overeenstemming worden bereikt over een goede plaats voor de brandweer, waarbij men het geluk had dat het tuincentrum aan de Ookmeerweg hoek Troelstralaan niet kon blijven staan. Opnieuw mochten Dietzsch & Van der Sanden aan de tekentafel, want hun oorspronkelijke ontwerp paste niet goed op de nieuwe plek en bovendien moest het allemaal wat goedkoper. Begin 2004 ging eindelijk echt de eerste paal de grond in en sinds maart 2005 heeft Osdorp dan eindelijk zijn eigen brandweerkazerne!

Gerard Koppers; 27-02-2005.
Nationaal Brandweer Documentatiecentrum – www.nationaalbrandweerdocumentatiecentrum.nl

Zie ook: www.kazerneosdorp.nl

Zie ook: Brandspuiten uit Sloten en Oud Osdorp

Dit artikel is ook te lezen als pdf: De brandweer in de voormalige gemeente Sloten (pdf)

 

De brandspuit van Sloten

Enkele foto’s van de brandspuit van Sloten tijdens een oefening bij de Ringvaart van de Haarlemmermeer en op de terugweg naar het brandspuithuisje bij de Sloterweg 1277. Tot slot op zijn standplaats naast de Molen van Sloten. Op de laatste twee foto’s is te zien dat het om dezelfde brandspuit gaat.

Oefening van met de brandspuit van Sloten aan de Ringvaart; 1955. Foto: Nationaal Brandweer Documentatiecentrum.

 

Oefening van met de brandspuit van Sloten aan de Ringvaart; 1955. Foto: Nationaal Brandweer Documentatiecentrum.

 

 

 

 

 

 

 

 

Oefening van met de brandspuit van Sloten. Ter hoogte van Sloterweg 1277; 1955. Foto: Nationaal Brandweer Documentatiecentrum.

De brandspuit van Sloten bij de Molen van Sloten; 1 februari 2013. Foto: Erik Swierstra.

Een naam ouder dan de doden – Begraafplaats Huis te Vraag

Erfgoed van de Week – Een naam ouder dan de doden

Open Monumentendag Amsterdam zet dit jaar de in 1921 geannexeerde gebieden op een voetstuk onder het thema ‘Buiten Buurten’. Eén van die gemeenten die Amsterdam 100 jaar geleden annexeerde is Sloten.

Met deze annexatie werd de stad een begraafplaats rijker. Een kleine begraafplaats aan de Schinkel op de rand van de gemeente Sloten, met een zeer lange geschiedenis: Huis te Vraag.

Uitzicht over de Schinkel, met links de katoendrukkerij en een molen. Rechts daarvan bevindt zich het landhuis ‘t Huys te Vraghe. Tekening: Hendrik Keun (1770), beeldbank Stadsarchief Amsterdam (010055000418).

Te Vraghe
De naam Huis te Vraag kent een veel langere geschiedenis dan de begraafplaats. In de vijftiende eeuw, ver voordat er een begraafplaats was, stond er een veerhuis annex herberg op deze plek. Om reizigers te trekken naar het veerhuis, plaatste de eigenaar er een bord voor met de tekst Te Vraghe erop. Dit betekende dat de reizigers hier om informatie konden vragen. Hoe het veerhuis uiteindelijk de naam Te Vraghe kreeg is niet zeker, maar er is één verhaal dat al eeuwenlang wordt aangenomen als de reden. In 1486 of 1489 was aartshertog Maximiliaan I uit Oostenrijk, die in 1508 keizer van het Heilige Roomse Rijk werd, op een bedevaartstocht naar Amsterdam en vroeg bij het veerhuis om de weg.

Veerhuis en landhuis
In 1618 kwam het perceel waarop het veerhuis stond in handen van een lakenfabrikant. Ook hem was de geschiedenis van het veerhuis en het verhaal over Maximiliaan ter ore gekomen. Omdat hij het verhaal zo interessant vond, liet hij een landhuis bouwen met de naam ‘t Huys te Vraghe. Het voorvoegsel werd met een reden toegevoegd, het veerhuis bestond nog steeds en om geen verwarring te creëren met het landhuis werd er een voorvoegsel toegevoegd. In de vele jaren daarna werd er steeds meer gebouwd rondom het landgoed: boerderijen, een molen en een scheepswerf. Het landgoed heeft vele eigenaren gekend, allemaal werkend in de lakenindustrie of katoenververij. Uiteindelijk was dit niet meer winstgevend genoeg en werd het onderhoud aan het landhuis te duur. De laatste eigenaar, de heer Poort, besloot het landhuis in 1890 te slopen en het perceel te verkopen.

Gevelstuk van het gesloopte landhuis ‘t Huys te Vraghe in de gevel van de aula. Foto: Han van Gool, Monumenten en Archeologie (2009).

Begraafplaats
Eén jaar na de sloop van het landhuis kwam het perceel in handen van Pieter Oosterhuis. Hij had bij de voormalige gemeente Sloten toestemming gevraagd om een bijzondere begraafplaats aan te leggen. Oosterhuis had met een reden gekozen om specifiek op deze plek een begraafplaats aan te leggen. De grond van de gemeente Sloten bestond voornamelijk uit laagveen, wat erg ongeschikt is om op te bouwen. De sloop van het landgoed zorgde ervoor dat het perceel uitstekend werd om op te bouwen. Ook was de ligging aan de Schinkel belangrijk, omdat de grond dan met een boot gemakkelijk kon worden aangevoerd. Niet alles is verloren gegaan bij de sloop van het landhuis. Een gevelstuk is gebruikt bij de bouw van de aula annex beheerderswoning en bevindt zich in een zijgevel. Ook de naam Huis te Vraag is niet verloren gegaan. Ondanks dat Oosterhuis de naam ongeschikt vond voor de begraafplaats en deze de Protestantse Begraafplaats te Vraag noemde, bleef het in de volksmond Huis te Vraag heten. De opening vond plaats op 24 september 1891. 

In 1962 sloot de begraafplaats. Foto: Han van Gool, Monumenten en Archeologie (2010).

Vol
De begraafplaats heeft diverse eigenaren gehad en er hebben veel begrafenissen plaatsgevonden. In 1962 was de laatste begrafenis, daarna was de begraafplaats vol. De eigenaar kreeg geen toestemming voor uitbreiding en was hierdoor genoodzaakt de begraafplaats te verkopen aan de gemeente Amsterdam. Vanaf 1992 zou de begraafplaats mogen worden geruimd, maar in 1991 maakt een wijziging van de Wet op de Lijkbezorging het mogelijk om begraafplaatsen langer te laten voortbestaan. Een aantal nabestaanden van op Te Vraag begraven verwanten maakt van die mogelijkheid gebruik. De komst van kunstenaar Leon van der Heijden in 1987 als beheerder van de begraafplaats en bewoner van het ontvangstgebouw luidde een nieuwe fase in. Van der Heijden beheerde de begraafplaats als een bijzonder openbaar park dat moest fungeren als een oord van bezinning. Sinds 2009 is Huis te Vraag een gemeentelijk monument. Van der Heijden overleed vorig jaar en ook zijn vrouw woont niet meer op Huis te Vraag. De begraafplaats wordt nu onderhouden door 2 tuinvrouwen en een aantal vrijwilligers onder auspiciën van de gemeente Amsterdam.

Open Monumentendag 2021 – Editie 03 – Sloten

‘Buiten Buurten’ met Open Monumentendag Amsterdam
We vieren dat we dit jaar precies 100 jaar geleden vier keer zo groot werden. Tijdens de 35e editie van Open Monumentendag Amsterdam ligt de focus op deze geannexeerde gebieden. Elke maand wordt er een Open Monumentendag Buurtroute gepresenteerd. De maand juli staat in het teken van Sloten. Op dit moment zijn de monumenten helaas nog niet toegankelijk, maar de fiets- en wandelroutes langs onder andere de begraafplaats Huis te Vraag, de Petruskerk en de Molen van Sloten zijn een leuke en mooie manier om de buurgemeente te leren kennen.

Fietsroute door de voormalige gemeente Sloten.

Erfgoed van de Week
In de rubriek Erfgoed van de Week staat elke week een bijzondere archeologische vondst, vindplaats, voorwerp, monumentaal gebouw of historische plek in de stad centraal. Via de website amsterdam.nl/erfgoed, Twitter @erfgoed020 en Facebook Monumenten en Archeologie delen de erfgoedexperts van Monumenten en Archeologie het erfgoed van de stad met Amsterdammers én overige geïnteresseerden.

Dit artikel als pdf-document: Een naam ouder dan de doden – Begraafplaats Huis te Vraag (pdf)

Van: www.amsterdam.nl/kunst-cultuur/monumenten/erfgoed-week/huis-te-vraag/; 8 juli 2021

* Zie ook: Fietstocht – Editie 3 Sloten – van Open Monumentendag Amsterdam – Buiten Buurten
* Zie ook: www.annexaties1921.com/sloten-10/

Buurtroute Sloten

Deze hoofdzakelijk agrarische gemeente omvatte de dorpen Sloten, Osdorp en Sloterdijk en het gebiedje de Vrije Geer.

Fietsroute door de voormalige gemeente Sloten.

Hoewel het dorp Sloten de voornaamste kern was, stond het raadhuis in Sloterdijk. Eeuwenlang was de Sloterweg de voornaamste verbinding tussen Amsterdam en Haarlem en de rest van Holland. Na 1342 werd deze onderdeel van de pelgrimsroute naar de kapel in de Kalverstraat waar het Mirakel van Amsterdam had plaatsgevonden.

Aan de zuidkant van de gemeente werden regelmatig hele stukken land verzwolgen door de Waterwolf, het nog niet ingepolderde Haarlemmermeer, waar het bij stormachtig weer danig kon spoken. Met de uitvoering van het Algemeen Uitbreidingsplan na de Tweede Wereldoorlog verdwenen grote delen van Sloten onder het zand van de ophogingen van de Westelijke Tuinsteden.

In de jaren 90 van de vorige eeuw moesten tenslotte ook de tuinbouwgebieden ten noorden van de Sloterweg plaatsmaken voor de nieuwbouwwijk Nieuw Sloten. Waag het echter niet om naar de oude dorpskern van Sloten te verwijzen als Oud Sloten, want dan krijg je het aan de stok met de echte Slotenaren!

* Zie ook: Fietstocht – Editie 3 Sloten – van Open Monumentendag Amsterdam – Buiten Buurten
* Zie ook: www.annexaties1921.com/sloten-10/
Van: www.amsterdam.nl/toerisme-vrije-tijd/evenementen/open-monumentendag-amsterdam/buurtroute-sloten/

Schilderwedstrijd Sloten

De geannexeerde gemeente Sloten – Toen, nu en straks

Honderd jaar na de annexatie van Sloten organiseert werkgroep Historie Sloten-Oud Osdorp een schilderwedstrijd.

Deelnemers worden uitgenodigd te verbeelden hoe Sloten er vroeger uitgezien moet hebben, hoe het huidige grondgebied er uitziet of hoe u verwacht dat het er in de toekomst uit zal zien. In schilderijen is alles mogelijk: Ook een combinatie van verleden, heden en toekomst.

‘Blik op Sloterdijk’ (1920) van Dirk Johannes van Haaren (1878 – 1953).

Tot en met 1 juli 2021 kunnen deelnemers een foto van hun schilderij sturen naar slotenkunst@gmail.com. Meedoen gaat als volgt:

1. Maak een foto van uw schilderij (bestand tussen 1 en 2 MB).
2. Geef deze foto de volgende naam: “Uw achternaam –Titel van het schilderij – formaat: 50 x 70 cm”.
3. Vermeld uw achternaam en de titel van het schilderij ook in de onderwerpregel van uw mail.
4. Vul het inschrijfformulier deelname Schilderwedstrijd ‘De geannexeerde gemeente Sloten; toen, nu en straks’ volledig in en stuur het op naar:
5. slotenkunst@gmail.com.
6. Beschrijf in maximaal 150 woorden wat er op het schilderij te zien is.
7. Door dit inschrijfformulier in te vullen en terug te sturen, verklaart u akkoord te gaan met dit wedstrijdreglement.

De jury
Een driekoppige jury zal uit alle inzendingen de winnaar kiezen. Juryleden zijn:

* Coco Schrijber. Filmmaker, schrijver en oud docent Beeldende Kunst/Film aan de Rietveld academie, Amsterdam.
* Martijn den Ouden. Afgestudeerd aan de Rietveld academie 2009, is dichter en beeldend kunstenaar. Daarnaast geeft hij les bij Schilderles Amsterdam.
* Vera Visser. Afgestudeerd Rietveld academie 2013, is beeldend kunstenaar. Daarnaast is zij docent Beeldende kunst en Vormgeving.

Prijzen
Alle genomineerden ontvangen een certificaat bij de opening van de expositie. Daarnaast zijn er drie hoofdprijzen:

1. Een geldbedrag van 500 euro.
2. Een geldbedrag van 250 euro.
3. Een duo-cadeaubon te besteden bij Schilderles Amsterdam. De winnaar kan met een vriend of kennis een workshop van 2,5 uur volgen op het atelier.

Prijsuitreiking en expositie
De prijsuitreiking zal begin september 2021 plaatsvinden tijdens de opening van de expositie van de prijswinnende en genomineerde schilderijen.

Klik hier voor het uitgebreide reglement.

Zie ook: www.annexaties1921.com/2020/12/28/schilderwedstrijd/

“Een vreeselijk ongeluk”

Over de verdrinkingsdood van vier Slotense meisjes in 1939, die samen begraven liggen op het Sint-Pancratiuskerkhof. Hoe kon dat ongeluk gebeuren?

V.l.n.r.: Joke Bakker, Bep Sol, Lena Bakker en Annie Sol (foto gemaakt in 1939).

Wat betekende het overlijden van de zusjes Annie (15) en Bep Sol (16) en Joke (16) en Lena Bakker (18) voor de vooroorlogse Slotense gemeenschap? Dit verhaal geeft ook een inkijkje in het (Slotense) katholieke leven van die jaren.

Annette Beentjes en Corrie Loogman (familie van de omgekomen meisjes Sol) bezochten archieven en interviewden ooggetuigen en familieleden op wie het ongeluk een onuitwisbare indruk heeft gemaakt. Zo konden ze het verhaal reconstrueren. Hun bevindingen legden zij vast in een lezenswaardige rijk-geïllustreerde uitgave van 70 pagina’s. Hieronder een paar passages uit de presentatie die Corrie en Annette op 13 juni 2021 in het Slotense Parochiehuis gaven.

De achtergrond
De vier meisjes kenden elkaar van de Sint-Jozefschool en de Maria Congregatie van de Sint-Pancratiuskerk waar zij aan deelnamen. Dat waren bijeenkomsten voor meisjes. Officieel waren dat godsdienstlessen, maar in de praktijk kregen de meisjes hier allerhande informatie ter voorbereiding op het huwelijk. De familie Sol (15 kinderen) kwam uit de Baarsjespolder. Nelis Sol was warmoezenier (tuinder). Door de stadsuitbreiding moest het gezin in 1929 verhuizen naar de Sloterpolder. De familie Bakker woonde met 7 kinderen op ‘Veelust’ op het adres Sloterweg 400, een wijkje arbeiderswoningen, waar helaas niets van bewaard is gebleven.

Veelust, Sloterweg 400 – 416, Foto: Stadsarchief Amsterdam.

Het ene moment met de bal spelen… en dan…
Dankzij het speurwerk zijn veel details van die ongelukkige dag bekend: Op 30 juli 1939 was het prachtig weer. Met de wind in de rug maakten de vier meisjes de lange fietstocht van 35 km naar Castricum aan Zee. Ze huurden een ‘omkleed-tentje’ op het strand. Ze hadden wel een badpak maar konden niet zwemmen. Ze speelden met de bal in zee en kwamen veel noordelijker uit het water, de zee ‘trok’ heel erg. Het was de ‘periode van volle maan’ waardoor de vloed gevaarlijk snel opkomt. De stevige zuidwestenwind stuwde het zeewater op en diepte de tussenliggende zwinnen uit. ‘s Middags gingen de meisjes weer in zee en kwamen ongemerkt – al spelend met de bal – op de tweede zandbank terecht. Toen de vloed opkwam wilden zij terug naar het veilige strand en stapten van de zandbank af meteen in het diepe water van het zwin. Zij voelden geen vaste grond onder de voeten en het feit dat zij niet konden zwemmen is hen noodlottig geworden. Binnen tien minuten spoelde het eerste levenloze lichaam aan. Toevallig aanwezige leden van de Amsterdamse reddingsbrigade ondernamen meteen actie. Naast de arts op de EHBO-post boden ook artsen die zich onder de badgasten bevonden hulp. Er werd meteen begonnen met reanimeren. Binnen een half uur waren er vier lichamen aangespoeld. Om 17 uur gaven de artsen aan dat de vier meisjes waren overleden.

Voor het huis Osdorperweg 240, Annie en Bep in het midden.

Ondertussen op Sloten…
Veldwachter Thomas de Klerk kreeg een telefoontje van zijn collega in Castricum aan Zee. Hij regelde vervoer bij het taxibedrijf van Gerrit van der Puij. De vaders moesten mee naar Castricum om hun dochters te identificeren. Ondertussen ging pastoor Raken van de Sint-Pancratiuskerk naar de moeders om het verschrikkelijke nieuws – dat hun levens voor altijd zou veranderen – te brengen. Even was er nog een stille hoop dat het niet om hun dochters ging. Er werd gebeden voor een goede afloop, maar de bevestiging van het vreselijke nieuws kwam nog diezelfde avond. Twee gezinnen verloren allebei twee dochters.

Een droeve stoet op de R.K. Begraafplaats te Sloten, waar de vier meisjes, die te Castricum tegelijk in zee verdronken, ter aarde werden besteld. Katholieke Illustratie; augustus 1939. Archief Loogman.

Heel Sloten liep uit
In beide ouderlijke huizen werden de meisjes opgebaard. Iedereen, jong en oud, kwam afscheid nemen. Ondertussen was het groot nieuws in (nationale) kranten. Het stond zelfs in de Sumatrapost in voormalig Nederlands-Indië. Tijdens een gezamenlijke mis in een overvolle Sint-Pancratiuskerk (niet iedereen paste in de kerk) rouwde heel Sloten. De kerkklokken beierden urenlang. De vier meisjes zijn samen begraven in één graf, op twee porseleinen plaatjes zijn hun portretten vereeuwigd. Het graf is recent opgeknapt door John Koenen, neef van de meisjes, en wordt nog regelmatig bezocht.

Grafsteen van de vier zusjes op de Rooms-katholieke begraafplaats Sint-Pancratius te Sloten.

Naschrift
Het eerste exemplaar van deze bijzondere uitgave werd op 13 juni 2021 overhandigd door de schrijfsters aan Theo Bakker. Komend najaar is dit boekje bij het Slotense Politiebureautje te koop. Als het zover is, melden we dat in de Nieuwsbrief Sloten-Oud Osdorp.

Theo Bakker, bijna 90 jaar en broer van de in 1939 omgekomen Lena en Joke Bakker, nam op 13 juni 2021 in het Parochiehuis te Sloten, te midden van familieleden van de vier meisjes, het eerste exemplaar uit handen van Corrie Loogman (midden) en Annette Beentjes in ontvangst. Foto: Tamar Frankfurther.

Tamar Frankfurther; 2 juli 2021.

Begraafplaats Huis te Vraag – Een verborgen schat

Aan de Rijnsburgstraat (de vroegere Sloterweg) ligt langs de Amsterdamse Schinkel deze goed verborgen schat: het is de begraafplaats Huis te Vraag uit 1891.

Begraafplaats Huis te Vraag – Een verborgen schat. Foto: Peter Eijkman.

Oorspronkelijk zou hier een boerenhofstede hebben gestaan. Maximiliaan van Oostenrijk zou hier in 1489 de weg naar Amsterdam hebben gevraagd, wat de naam zou verklaren. In 1632 wordt het Huis ter Vraech voor het eerst officieel genoemd. In de 17e en 18e eeuw was er een landhuis en een katoendrukkerij gevestigd.

Aan het eind van de 18e eeuw was dit in verval geraakt. Bij een brand raakte het landhuis zwaar beschadigd. Het werd opnieuw opgebouwd maar werd in 1890 gesloopt voor de aanleg van een scheepswerf en een café. Op deze plek staat sinds de jaren zestig Kantoorgebouw ‘De Schinkel’.

In 1890 kocht de timmerman Pieter Oosterhuis het terrein naast het vroegere landhuis dat destijds nog in de gemeente Sloten lag. In 1891 werd het terrein met zand ongeveer twee meter opgehoogd, waarna het werd ingericht als particuliere protestantse begraafplaats van de Nederlands Hervormde Kerk.

In 1962 kocht de gemeente het terrein en sloot de begraafplaats; d.w.z. dat er geen nieuwe begrafenissen meer mochten plaatsvinden.

Sinds 1987 woonden beeldend kunstenaar Leon van der Heijden en zijn vrouw Willemijn als beheerders en hoveniers in de voormalige aula van de begraafplaats. Zij hebben het verwaarloosde terrein opgeknapt.

Leon is in 2020 overleden, en ook zijn vrouw woont er niet meer. Het onderhoud geschiedt nu door twee tuinvrouwen en een aantal vrijwilligers onder auspiciën van de Dienst Groenvoorziening.

Op 18 februari 2008 verzocht een groep burgers de stadsdeelraad om Huis te Vraag en (vier) arbeiderswoningen aan het nabijgelegen Spijtellaantje aan te wijzen tot beschermd stadsgezicht. De raad besloot de verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren. Op 28 augustus 2009 werd de begraafplaats toch tot gemeentelijk monument benoemd vanwege haar cultuurhistorische waarde.

Een voorstel in de deelraad Amsterdam-Zuid in 2013 om het verkopen, werd in een deelraadsvergadering mede daardoor weggestemd; als tweede reden werd opgevoerd, dat de begraafplaats door de buurtbewoners als “parkje” wordt gebruikt.

De begraafplaats is tegenwoordig een prachtige groene oase van rust in de drukke stad.

Peter Eijkman; 11 mei 2021.

Van: www.flickr.com/photos/meijkie/51173912753/in/photostream/

39 nieuwe verhalen over Nieuw-West en zijn oude voorganger

Het is inmiddels een gewortelde traditie in Amsterdam Nieuw-West: de jaarlijkse uitgifte, elk voorjaar, van twee boeken met verhalen over dit stadsdeel. Sinds 2016 is dat, zoals het zichzelf aanprijst als ‘Literair jaarboek voor Nieuw-West’, ‘Tussen Andreasplein en Zwarte Pad’, nu alweer de zesde jaargang. En sinds 2018 is er ‘Nieuw West Side Stories’, nu alweer voor het vierde jaar.

Laatstgenoemde uitgave is tijdens de boekenweek van 29 mei t/m 6 juni 2021 gratis te verkrijgen -samen met het landelijke boekenweekgeschenk- bij boekhandel Meck & Holt op Tussenmeer 46 in Osdorp bij besteding van minstens € 20.

Beide boekjes bestrijken met hun verhalen het stadsdeel Nieuw-West, gebouwd vanaf de jaren ’50, nadat het landelijke gebied van de toenmalige gemeente Sloten in 1921 in zijn geheel werd geannexeerd, om daarmee in de groeiende woningbehoefte van Amsterdam te kunnen voorzien. Samen zijn de beide edities dit jaar weer goed voor 39 nieuwe verhalen over Nieuw-West.

Extra dikke lockdowneditie
Het voorwoord van ‘Tussen Andreasplein en Zwarte Pad’, tussen welke beide uiterste adressen Nieuw-West zich uitstrekt, schrijft de extra dikke editie van dit jaar toe aan Covid-19, die met zijn lockdown en avondklok voor extra auteurs en extra lange verhalen bleek te zorgen… Mocht de corona nog langer gaan duren, dan voorziet de redactie zelfs Dickensiaanse proporties voor de volgende jaargang, als troost voor iedereen die naar boeiende verhalen smacht over een boeiend stadsdeel. Want al zou je dat op het eerste gezicht niet verwachten, ondanks dat het om een relatief jonge naoorlogse stadswijk gaat, valt er onnoemelijk veel over te vertellen. Opvallend in de verhalen is het aandeel nostalgie uit de jaren ’50 en ’60 in de toen piepjonge wijk in aanbouw. Maar de nostalgie lees je ook in de verhalen over het oorspronkelijke agrarische gebied, voordat het onder een dikke laag bouwzand verdween.

Zand erover
Een van de auteurs van dit jaarboekje, Pim Ligtvoet, bekend om zijn publicatie ‘In de schaduw van de oorlog, 1940-1945 in de polders van Amsterdam Nieuw-West’, refereert in zijn verhaal over de zandophoging aan een andere auteur die veel publicaties over Nieuw-West op zijn naam heeft staan:

“Nieuw-Westkenner Erik Swierstra vertelde me ooit dat de ‘tuinsteden’ van Amsterdam op een laag van vier meter zand zouden komen. Na de oorlog was daar te weinig geld voor en moest er vanwege de woningnood haast worden gemaakt. Twee meter zand was wel genoeg. Het meeste kon relatief goedkoop uit de oude zandlaag onder de Sloterplas worden gehaald – die daarmee behalve recreatieplas een zandwinningsgat van dertig meter diep werd. De bodem van het nieuwe West kwam dus twee meter lager te liggen dan gepland.”

De Commissaris van de Sloterweg
Overigens is niet heel Nieuw-West met zand opgehoogd. De uiterste west- en zuidzijde van de voormalige gemeente Sloten zijn gespaard gebleven. Daar liggen nog steeds de kernen van de eeuwenoude dorpen Osdorp en Sloten met hun omringende landelijke gebied. Daar ligt zoveel interessante historie voor het oprapen dat beide boekjes de nodige verhalen bevatten over deze oude voorganger van Nieuw-West. Zo wijdt Jan Loogman, opgegroeid in dit oude gebied, een verhaal aan ‘De Commissaris van de Sloterweg’. Dit betreft dan Hindrik Jans van der Molen, sinds 1956 hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie die van 1962 tot 1967 villa ‘Maupertuus’ op de Sloterweg bewoonde. Voor wie in zijn/haar jonge jaren de roerige jaren ’60 heeft meegemaakt is dit verhaal van Jan Loogman een feest van herkenning: de provo’s, het huwelijk van (toen) Prinses Beatrix, de bouwvakkersopstand. Het speelde zich allemaal af in het eerste half jaar van 1966 en het leidde uiteindelijk tot het ontslag van zowel burgemeester Van Hall als de commissaris.

Zijn naaste buren op de Sloterweg volgens Jan Loogman: “Dat hij aan de Sloterweg werd gewaardeerd als een vriendelijke buurman, past wel in dit beeld. “Schandelijk”, zeiden zijn buren daar over het ontslag dat hij had gekregen. “Zo gaan die dingen”, antwoordde Van der Molen. In juli 1967 verhuisde Van der Molen vanaf de Sloterweg naar Heemstede. Toen de hoogste rechter in 1968 zijn ontslag had bevestigd, ging hij uitkijken naar ander werk. Hij trad in dienst van Centra, een kruideniersorganisatie.”

De handtekening van hoofdcommissaris Van der Molen prijkt nog steeds op het verkeersdiploma dat ik bij het verlaten van de lagere school in 1962 kreeg uitgereikt. Dat had ook anders kunnen lopen, besef ik nu, want notabene in datzelfde jaar, volgens Loogman, ondernam burgemeester Van Hall een vergeefse poging om zijn hoofdcommissaris te ontslaan. En 1962 was ook het jaar dat Van der Molen van zijn etagewoning in Zuid verhuisde naar de kapitale vrijstaande villa aan de Sloterweg 782. “Hij was een heel vriendelijke man, iemand die er wel bij hoorde, tussen de andere bewoners aan de Sloterweg. Met Schelling die Sol op de proeftuin had opgevolgd, en ook met Van der Veldt van de duikboot aan de overkant maakte hij geregeld een praatje”, weet Jan Loogman van een vroegere bewoner

Referendum redt Slotens weiland
Het andere boek, ‘Nieuw West Side Stories’, geeft ruimte aan maar liefst 4 verhalen over het voormalige landelijke gebied van Nieuw-West. Zo vertelt Tamar Frankfurther over het gewonnen referendum dat in 1995 werd gehouden om de voorgenomen bebouwing van het weiland aan de Vrije Geer, grenzend aan de dorpskern van Sloten, te voorkomen. Het middeleeuwse en tevens laatste veenweidegebied in Sloten werd hiermee van de ondergang gered en is nu een natuurpark dat door tientallen vrijwilligers wordt beheerd.

Verdwenen dorpen
Drie hoofdstukken in dit boek zijn gewijd aan het verre verleden en zijn van de hand van Erik Swierstra, die inmiddels een indrukwekkende reeks historische publicaties op zijn naam heeft staan. Hoe het gebied twee eeuwen terug nog werd bedreigd door het water van de Haarlemmermeer, waardoor enkele dorpen compleet werden weggespoeld, lezen we in zijn verhaal ‘Verdwenen dorpen ten westen van Sloten’.

En welke rol Sloten speelde in de verbinding tussen hoofdstad en hofstad lezen we in ‘Sloten en de verbinding van Amsterdam naar Den Haag’. Onvoorstelbaar: al het verkeer van en naar Schiphol ging tot eind jaren ’30 door de nauwe dorpskern van Sloten…

Zijn derde bijdrage gaat over ‘Het Jaagpad langs de Schinkel en Nieuwe Meer’, een oude wandelroute die aan de hand van zijn verhaal nog steeds goed is te volgen, althans tot de plek waar de Nieuwe Meer is verbreed ten koste van de Riekerpolder voor de zanduitgraving t.b.v. de ophoging van Nieuw-West.

De samenstellers van het boek hebben echter de onvergeeflijke fout begaan om in de inhoudsopgave de naam van Erik Swierstra abusievelijk niet te vermelden achter zijn drie verhaaltitels. Waarvan vanaf deze plaats acte…

Daarnaast hebben drie inmiddels ook bekende schrijvers uit het oorspronkelijk landelijke gebied Sloten-Oud Osdorp ook dit jaar weer hun bijdrage aan deze uitgave verleend: Paul Kroes, Kees Schelling en Jan Loogman. Vooralsnog staan zij de komende jaren wis en zeker nog garant voor veel meer verhalen over dit eeuwenoude en tevens jonge gebied van Amsterdam Nieuw-West…

Theo Durenkamp; 28 mei 2021.

Lees ook  www.slotenoudosdorp.nl/ boekenweekgeschenk-meck-holt-vier-verhalen-over-landelijk-gebied/

Van: www.theodurenkamp.nl/artikelen-1/39- nieuwe-verhalen-over-nieuw-west-en-zijn-oude-voorganger

Boekenweekgeschenk Meck & Holt: vier verhalen over landelijk gebied

Dit jaar is álles anders, maar toch ook weer niet. In het kader van de Boekenweek 2021 geeft de Osdorpse boekhandel Meck & Holt ‘gewoon’ het vierde deel in de serie Nieuw-West Side Stories uit. In deze uitgave staan vier bijdragen over de historie van het landelijk gebied Sloten-Oud Osdorp.

Nieuw-West Side Stories – uitgave 2021.

Iedereen die twintig euro of meer besteedt bij boekhandel Meck & Holt aan de Tussenmeer 46 in Osdorp krijgt dit boek cadeau naast het landelijke Boekenweekgeschenk. De Boekenweek vindt plaats van zaterdag 29 mei t/m zondag 6 juni. Zolang de voorraad strekt liggen deze gratis uitgaven voor u klaar.


De inhoudsopgave van West Side Stories deel 4: Bij de drie titels waar geen auteur vermeld staat, hoort Erik Swierstra’s naam te staan.

De overige lezenswaardige elf verhalen spelen zich af in Nieuw-West. Dus ook in de voormalige gemeente Sloten… Gerard Molewijk, vele jaren actief lid (en luis in de pels) van o.a. de voormalige stadsdeelraad Nieuw-West voor de lokale partij BNW81, heet de lezers welkom in zijn aansprekende voorwoord. Het is natuurlijk louter toeval, maar het is tóch aardig te vermelden dat het thema van de Boekenweek dit jaar “Tweestrijd” is. Het verhaal van Tamar Frankfurther over het in 1995 gewonnen referendum over het behoud van het Weilandje Vrije Geer vormt dus een mooie brug tussen het landelijke en lokale Boekenweekgeschenk.

De slag om het Weilandje Vrije Geer
Tamar Frankfurther was sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw (samen met haar familie en een diverse Slotenaren) actief betrokken bij het behoud van de laatste veenweide nabij de dorpskern van Sloten. Het was immers van groot belang dat het zicht op het dorp behouden bleef, dat het dorp niet helemaal opgeslokt zou worden door de stad en dat de beloofde groene buffer tussen dorp en stad er zou komen… De gemeente Amsterdam zag dat anders en wilde 180 woningen bouwen op dat weiland. Inspraak en lobby boden geen soelaas.

“Dan maar een referendum organiseren”, was toen de gedachte. “Dan kunnen de Amsterdammers bepalen of het groen mag blijven of niet.” Dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan. Eerst moesten er 30.000 ondersteunende handtekeningen van Amsterdammers worden verzameld en dan was je er nog niet. Het referendum zou immers alleen geldig zijn wanneer 34,1% van de Amsterdammers (186.159 stemgerechtigden) op 17 mei 1995 ook zijn stem uitbracht… Enfin, in deze uitgave leest u hoe het precies ook alweer zat. Hoe het allemaal begonnen is, over de politieke en ambtelijke capriolen die de gemeente uithaalde, hun wonderlijke campagne en over de uitgekiende campagnes van het Weilandje-comité voor de handtekeningen en de verhoging van de opkomst.

Jaap Tolk is een van de drijvende krachten achter het succes van zowel het Weilandje als van Natuurpark Vrije Geer. Tóen als lid van het referendumcomité en nú nog altijd als vrijwilliger in de beheergroep van het natuurpark.
Foto: Tamar Frankfurther.

In dit boekje staat de beknopte versie van het bijzondere verhaal, dat eindigt op het prachtige Natuurpark Vrije Geer in 2020. Waar Jane en Hein, die elkaar als vrijwilligers van de beheergroep op het Weilandje ontmoet hebben, aan het werk zijn. Ze zijn inmiddels getrouwd!

Meer weten over het Weilandje-referendum?
Wie het leuk vindt om meer over de slag om het Weilandje Vrije Geer te zien en horen, kan terecht op de website www.geheugenvanwest.nl waar het verhaal in drie filmdelen getoond wordt. Als corona het straks weer toelaat, zal Tamar ook presentaties over dit onderwerp gaan verzorgen. Als daar meer over bekend is, wordt dit vermeld in de Agenda van de Nieuwsbrief en op de website www.slotenoudosdorp.nl

Drie artikelen over historie
Erik Swierstra schrijft al jaren artikelen over de ‘historie van Sloten en Oud Osdorp’, en ook het grondgebied van de voormalige gemeente Sloten. Na de recente publicatie van de folder ‘Fietsen door de voormalige gemeente Sloten’, publiceert hij in dit boekje ook weer drie interessante bijdragen. Rijk-geïllustreerd bovendien. Meer hierover in www.slotenoudosdorp.nl/historie.

Het eerste verhaal gaat over ‘Verdwenen dorpen ten westen van Sloten’. Ten westen van het dorp Sloten ligt tegenwoordig Badhoevedorp. Voordat de Haarlemmermeer in 1852 werd drooggemaakt heeft de ‘Waterwolf’ veel land en diverse dorpen verzwolgen, zoals Nieuwerkerk en Rijk. In dit artikel een overzicht.

Sloten ligt tegenwoordig vlakbij de autosnelweg en de spoorweg van Amsterdam naar Den Haag. Voordat deze verbinding in de jaren zeventig werd voltooid waren er diverse andere verbindingen in het gebied ten zuidwesten van Amsterdam en Sloten, waarover in dit artikel ‘Sloten en de verbinding van Amsterdam naar Den Haag’ wordt verteld.

Het gebied van de vroegere gemeente Sloten werd aan de zuidkant begrensd door de Schinkel en de Nieuwe Meer. Sinds de Middeleeuwen is dit een belangrijke vaarroute in de richting van Aalsmeer en Leiden. Sinds de 19e eeuw was er langs de oever een jaagpad, waarlangs schepen ‘gejaagd’, voortgetrokken, werden. Over wat er langs dit pad vroeger was en nu nog is te zien gaat dit artikel ‘Het Jaagpad langs de Schinkel en Nieuwe Meer’.

Tamar Frankfurther, 22 mei 2021.